Gedrags- en ontwikkelingsstoornissen

Deze pagina is bijgewerkt op 11-01-2026
Gedragsproblemen in de klas gaat over gedrag, neurodiversiteit en neurodivergentie. Je vindt er praktische tips voor in de klas over ADHD, ADD, TOS, ODD, DCD en nog veel mer 'ontwikkelingsstoornissen'. Daarbij hoort een uitleg. Die lees je op deze pagina.

Gedrag op school. Een uitleg

Een site over gedragsproblemen en ontwikkelingsstoornissen in de klas. Tegenwoordig spreken we liever over neurodiversiteit in de klas. Gedragsproblemen in de klas van Anton Horeweg gaat over preventief werken aan leerkrachtgedrag en leerkrachthandelen. Er staan veel praktische tips over gedrag en neurodiverse kinderen op.

Wat vind je op gedragsproblemenindeklas.nl

Gedragsproblemen in de klas bevat veel informatie over preventief werken aan gedrag in de klas, omgaan met gedragsproblemen en het scheppen van een veilig inclusieve en traumasensitieve school. Kern is dat leerkrachtgedrag er veel toe doet. Daarbij gaan pedagogiek en didactiek hand in hand. In een school zijn beide nodig. Kennis is belangrijk. Alleen, zonder ‘goed’ gedrag (gedrag gericht op leren), komt er van je mooie les niet veel terecht. Gedrag aanleren is dus belangrijk. Op deze site vind je daarom tips en ideeën over omgaan met neurodiversiteit, zoals werken aan executieve functieontwikkeling in de klas. Daarbij gaat het vooral om wat de leerkracht of docent doet.

Gedrags- en ontwikkelingsstoornissen of neurodiversiteit en neurodivergentie?

Het woord stoornis zit verweven in ons taalgebruik. Veel mensen zijn daar niet blij mee. Ze willen af van een onnodig stigma en bedachten de termen neurodiversiteit en neurodivergentie.

Ik leg deze begrippen kort uit:

Neurodiversiteit: Dit is een term die de mix van neurotypische en neurodivergente mensen aangeeft. Mensen met het meest voorkomende neurotype noemen we neurotypisch. Dat ook daarin veel variatie is mag duidelijk zijn: elk kinderbrein is anders.

Neurodivergentie: Verwerkt iemands brein prikkels op een andere manier dan dit dominante neurotype? Dan noemen we dat neurodivergent. Denk bijvoorbeeld aan iemand met TOS, autisme, ODD of ADHD. Volgens sommigen geeft ook deze term een verschil aan, in plaats van het unieke van elk mens te benadrukken.

Met deze begrippen willen voorkomen we dat mensen het stigma krijgen van ‘gestoord.’ Of je die diversiteit zoals met het woord neurodiversiteit bedoeld wordt kunt duiden, is maar de vraag. Bovendien kan uiteindelijk ook dit woord een negatieve connotatie krijgen. Op deze site gebruik ik voorlopig het woord ontwikkelingsstoornis. Met de toevoeging dat het kind niet een afwijking heeft, ziek is of raar is.

Ontwikkeling afwijkend van ‘de norm’

Het woord stoornis vertelt over een verstoorde ontwikkeling in vergelijking met anderen. Het gedrag van de leerling wijkt sterk af van wat ‘we’ de norm vinden, bovendien belemmert het gedrag de leerling in zijn dagelijks leven. Je kunt ook stellen dat juist diversiteit ‘de norm’ is en dat de menselijke soort gewoonweg varieert. Misschien zijn juist de leraren degenen met special needs (Batstra, 2023).

De ‘norm’ is bedacht door de maatschappij en verandert met de tijd.

In feite zeggen de term en de criteria verder nog weinig van wat de leerling nodig heeft. Je kunt je dus terecht afvragen of deze indeling helpend is. Meer uitgaan van ‘de menselijke ontmoeting (van Essen, 2021), contact maken, samen verder kijken is wellicht meer helpend.

Je zou door de groepering rond stoornissen kunnen veronderstellen dat de leerling daarom tekort wordt gedaan. Door leerlingen af te zetten tegen een norm, gaat het immers niet meer over de leerling, maar de leerling in vergelijking met anderen en dat doet geen recht aan het individu.

Leerzame schooltijd voor álle kinderen

Ik heb hiermee geworsteld en doe dat nog. Waar het mij namelijk om gaat, is dat leraren leerlingen helpen een fijne, leerzame schooltijd te hebben. Dat wil ik voor alle leerlingen. Het gebruik van termen als stoornis zet kinderen echter in een apart hokje. Dat zou niet erg zijn als we er positief mee omgingen (we denken immers allemaal in hokjes, zo krijgen we grip op de wereld). De praktijk wijst echter nogal eens iets anders uit. De hokjesgeest doet vaak geen goed, maar kwaad.

We vergelijken leerlingen dus constant met anderen. Als we dat proberen minder te doen en meer te kijken naar welke onderwijsbehoefte of begeleidingsvraag deze leerling heeft, is het woord stoornis of het woord neurodiversiteit wellicht overbodig.

Kijk naar de context

In al mijn boeken leg ik uit dat de omgeving iets moet doen, laten of aanpassen, om alle leerlingen tot leren te brengen. Op school is ‘de omgeving’ meestal de leraar. Die kijkt samen met de leerling wat helpend kan zijn, zo zegt ook Batstra (2024).

Voor de volledigheid, daarbij moet je de beperkingen van ons onderwijs voor lief nemen. Er is te weinig geld (in ieder geval in de klas) en er zijn te weinig docenten. Misschien moet de organisatievorm anders of moeten we het curriculum veranderen. Wellicht moet het hele onderwijs anders, maar je hebt die leerlingen nu in de klas en je moet hen nu lesgeven.

Leerkracht, kind, ouders

Het enige wat je kunt (en moet) doen, is een belangrijke opgave: Je moet reflecteren op je eigen leerkrachthandelen, je moet in gesprek met leerlingen (en ouders), je moet samen kijken wat nodig is en de voorwaarden scheppen die binnen jouw mogelijkheden of die van de school en de leerling mogelijk zijn. Als je dat doet, kijk je voorbij aan ‘de stoornissen’ en zie je de leerling of beter nog: het kind. De handreiking op deze site, die nog gegroepeerd zijn als ‘stoornissen’, worden dan denkrichtingen en dat was altijd al de bedoeling.

En de leerling? Die wordt weer gewoon een kind/jongere en ook dát was altijd al het doel.

.

Batstra, L. (2024) ‘Meer oog voor de interactie tussen leerkracht en kind. Ja! Magazine nr 60, p.27-29

Batstra, L. (2022). ADHD, macht en misverstanden. Herziene versie.

"Handboek Gedrag op school Horeweg"