TOS Taalontwikkelingsstoornissen

Veel van onderstaande tekst is ontleend aan het boek Taalontwikkelingsstoornissen in de klas (2017) van Bernadette Sanders. Bestel het boek onderaan de pagina.

Een stoornis die nog niet heel bekend is: TOS. Tot 2014 heette dit ESM: Ernstige Spraak- en Taal Moeilijkheden. De definitie van TOS is als volgt: ‘Een TOS wordt gedefinieerd als een beperking in taalbegrip en/of taalproductie waarbij de taalproblemen niet kunnen worden verklaard door aantoonbaar hersenletsel, intelligentieproblemen, gehoorverlies, lichamelijke problemen of sociaal-emotionele problemen.’ (Kamphuis en Hermsen, 2015). TOS komt bij ongeveer 5% van de bevolking voor.

Specifieke TOS of niet- specifieke TOS

TOS wordt verdeeld in twee groepen. Een specifieke groep (S-TOS) en een niet-specifieke groep (TOS). Bij een specifieke groep staat de TOS op de voorgrond, er is geen heel duidelijke oorzaak te vinden. Het woord ‘specifiek’  wordt vaak weggelaten,  er wordt gesproken over TOS, meestal wordt ‘een specifieke TOS’ bedoeld. Bij niet specifieke  taalontwikkelingsstoornissen is de taalontwikkeling vertraagd of verloopt afwijkend als gevolg van, of in combinatie met, een ander probleem, zoals een auditieve beperking, moeite met of een andere ontwikkelingsstoornis (denk aan ADHD, ASS), of een verstandelijke beperking. De grenzen tussen deze twee vormen zijn vaag (Sanders, 2017).

Een taalontwikkelingsstoornis kan voorkomen in  taalbegrip of in taalproductie. Dat kan in alle taaldomeinen (taalvorm, taalinhoud en taalgebruik) en ook ingesproken taal, gebarentaal en geschreven taal. Een TOS belemmert een kind in zijn interactie met de directe omgeving en in zijn sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling.  De inner speech, of innerlijke taal ontwikkelt minder goed. Het taal-denken, het leggen van verbanden, het begrijpen van situaties, problemen oplossen, het reguleren van emoties en het abstracte denken worden aangestuurd door innerlijke taal.

 

Signalering

Een vroegtijdige signalering van een TOS is van groot belang. Hoe langer men wacht met een gerichte interventie, hoe groter de problemen worden, zeker op sociaal-emotioneel gebied (Sanders, 2017).  Onderstaande lijst is niet compleet en kun je niet zomaar een op een gebruiken om een diagnose te stellen, maar je kunt de lijst wel gebruiken als aandachtpuntenlijstje. Waar je op kunt letten zijn de volgende zaken:

  • Het kind heeft moeite om anderen te begrijpen en zichzelf begrijpbaar te maken.
  • Het kind heeft een kleine woordenschat.
  • Het kind heeft woordvindingsproblemen.
  • Het kind is moeilijk te verstaan als het praat.
  • Het heeft moeite met talige instructie.
  • Het lukt het niet om talige opdrachten goed uit te voeren.
  • Het kind  heeft grote moeite met of kan geen samenhangend verhaal vertellen.
  • Het kind vermijdt deelname aan klassengesprekken (het vindt adequaat reageren moeilijk door bijvoorbeeld woordvindingsproblemen).
  • Het kind antwoord vaak ‘Ik weet niet’ op gestelde vragen, omdat snel antwoorden lastig is.
  • Het kind is verbaal nauwelijks weerbaar en komt (daardoor) sneller in fysiek conflict.
  • Het kind heeft weinig zelfvertrouwen.
  • Sociale contacten verlopen zeer moeizaam.

 

Kinderen met een TOS hebben het zwaar op school. Hun gedrag dat voortkomt uit  ‘onbeholpenheid’ wordt vaak uitgelegd als moedwillig verkeerd gedrag. Uitspraken als het kind is niet gemotiveerd, het kind is chaotisch, het kind droomt veel, het kind heeft een  kort lontje, zijn uitspraken die vaak gehoord worden. Op zich kloppen ze misschien wel, maar de onderliggende oorzaak wordt niet ontdekt.

Motivatie

Kinderen met een TOS lijken ongemotiveerd. Ze hebben een negatief zelfbeeld, want ze merken dat veel zaken niet lukken die anderen wel goed afgaan. Bovendien krijgen ze vaak veel negatieve reacties van de omgeving en worden ze door andere kinderen soms raar gevonden en buitengesloten of gepest. Meedoen in de talige wereld van het onderwijs is voor hen een constante strijd, die ze vaak verliezen. Op den duur stop je met proberen. Een talige opdracht zal negatieve gevoelens oproepen: angst (om weer te falen)boosheid, frustratie, schaamte, enz. Het gedrag dat daaruit voortkomt zal ook vaak negatief zijn: clownesk gedrag, storend gedrag of totale terugtrekking.

Wat kun je doen in de klas?

De leerkracht kan het kind ondersteunen door:

  • Veel vertrouwen te tonen in het kind.
  • Geduld te hebben als het kind iets wil uitleggen aan je.
  • Taalfouten ‘ongemerkt’ te verbeteren, door het zelf goed te herhalen.
  • Het kind een plek te geven waar hij jou goed kan zien praten.
  • Je uitleg kort te houden en te herhalen.
  • Een verlengde instructie te geven.
  • De overgebleven tijd voor een les zichtbaar te maken met een timetimer.
  • Te zorgen voor een rustige omgeving: dat helpt het kind focussen op de taal (die zo lastig is).
  • Geen onverwachte beurt te geven.
  • Woorden uit te leggen, liefst met veel visuele ondersteuning (plaatjes, uitbeelden).
  • Voldoende (soms meer) tijd te geven voor bijvoorbeeld overschrijfwerk.
  • Te controleren of het kind zaken wel goed heeft opgeschreven, ook als jij denkt dat dit stuk echt ‘heel makkelijk’ was.
  • Met de leerling te bespreken hoe de taak aangepakt moet worden (eventueel met visuele ondersteuning, bijv. de beertjes methode).
  • Het kind soms wat minder te laten maken (maar pas op: teveel ‘verminderen’geeft het kind het gevoel te falen!)
  • Het kind eventueel de lesjes telaten typen (het handschrift is vaak moeilijk leesbaar).
  • Het kind te helpen met organiseren: wat heb je bij deze les nodig?
  • Gebruik te maken van steunkaartjes voor spelling, rekenen,enz.
  • Te werken met stappenplannen die je samen maakt.
  • Gebruik te maken van voorlees-software bij bijvoorbeeld begrijpend lezen, toetsen,enz.
  • Het kind te leren leren. Maak gebruik van mindmap, de methode van Loci.
  • Te jouw handelen te verwoorden. ‘Modelen’ helpt kinderen hun denkproces te structureren.
  • Lees elke dag voor.
  • Bernadette Sanders (TOS in de klas, 2017)) ontwikkelde een handige faciliteitenkaart, die zorgcoordinatoren en mentoren kunnen invullen met de leerling. Als je deze verspreidt onder de docenten  weten zij meteen de specifieke ondersteuningsbehoefte.

Vertrouwen geven

Een belangrijke taak van de leerkracht is het kind vertrouwen te geven. Het kind merkt immers dat talige uitingen vaak niet lukken.

  • Neem de tijd om te luisteren.
  • Als je het verhaal niet kunt volgen, vertel dan dat jij het niet goed begrepen hebt (dus niet: ‘Leg nou eens goed uit..’)
  • Vat samen wat je hebt begrepen.
  • Spreek zelf in korte, niet te complexe zinnen. Dat geeft het kind vertrouwen: hij kan je begrijpen.
  • Laat liever geen klasgenoten ‘helpen’ als een antwoord niet snel genoeg komt. Handiger is: ‘Ik zie dat je nadenkt, heb je meer tijd nodig?’
  • Maak regelmatig zomaar praatjes met het kind.
  • Gebruik bestaande kennis en koppel de nieuwe kennis daaraan. Het kind ‘weet’ het begin dan al.

Samenwerken en samen spelen met anderen

Samenwerken, maar ook samen spelen met anderen is lastig. Het kind is niet ad rem genoeg, begrijpt opdrachten niet zo snel als klasgenoten of kan de antwoorden niet verwoorden. Kortom allemaal zaken die andere kinderen ertoe kunnen aanzetten hun klasgenootje links te laten liggen. In een veilig klasklimaat is het goed om uit te (laten)leggen waarmee en waarom het kind veel moeite heeft. in een zorgzame klas zullen andere kinderen dan graag willen helpen. Het helpt het kind om bij grotere samenwerkopdrachten (zoals een werkstuk) een stappenplan te geven waarin staat wie wat waar wanneer en hoe alles moet gebeuren. Houd goed in de gaten of het kind goed opgenomen is in de groep: mag het meespelen? Worden er geen vervelende opmerkingen gemaakt? Kinderen met een TOS voelen zich vaak onzeker en zullen zich snel alleen en buitengesloten voelen. Negeer dat niet, praat met het kind en met de groep. Zoek de activiteiten waar het kind wel goed in is en breng die wat vaker voor het voetlicht.

Stimuleer samenwerken en samenspelen in je klas. Sociale vaardigheden leer je door samen dingen te doen. Een middagje bordspellen spelen is een prachtige manier. Hoe vraag je eigenlijk of je mee mag doen? Hoe vraag je of iemand met je wil spelen? Wat doe je als diegene nee zegt? Hoe gaat dat als je een pen wilt lenen? Al deze situaties vragen om taal. Een perfecte oefengrond.

Emoties verwoorden

Het niet kunnen verwoorden van emoties leidt eerder tot ‘probleemgedrag.’ Omgekeerd helpt het als je woorden hebt om je emoties kenbaar te maken. Uit onderzoek blijkt dat je daardoor je primaire reactie (vaak is dat slaan of schelden), beter kunt inhouden. Kinderen met een TOS vinden het verwoorden van emoties net zo moeilijk als andere taaluitingen. Ze hebben er dus extra ondersteuning bij nodig.

Je kunt kinderen ondersteunen op de volgende manieren:

  • Benoem wat jij aan emoties denkt te zien: ‘Ik zie dat je boos bent, klopt dat?’ ‘Volgens mij ben je teleurgesteld omdat..’
  • Laat het kind benoemen wat het voelt in zijn lijf.
  • Gebruik emotiekaartjes om aan te laten geven hoe een kind zich voelt. Oefen ermee. Op Pinterest vind je er vele.
  • Soms kun je helpen door het kind uit twee emoties te laten kiezen: ‘Ben je boos of verdrietig?’
  • In sommige klassen hangen alle kinderen een emotiekaartje op bij binnenkomst. Goede oefening en stof voor gesprekjes.
  • Eventueel kun je ook de bekende emotie-thermometer gebruiken.

 

Meer lezen?

In 2017 verscheen het zeer praktische boek van Bernadette Sanders: Taal ontwikkelings stoornissen in de klas.

Ook verscheen in dat jaar het boek  Handboek Taalontwikkelingsstoornissen van Ellen Gerrits, Mieke Beers, Gerda Bruinsma en Ingrid Singer. Bestellen? Klik op de afbeeldingen.

 

     

 

Literatuur:

Gerrits, E. (2017). Handboek taalontwikkelingsstoornissen. Bussum: Coutinho.

Sanders, B. (2017). Taalontwikkelingsstoornissen in de klas. Praktische handelingsadviezen en tips. Houten: Lannoocampus.

Bestel mijn boeken

Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.