Meisjes met ASS

Meisjes met ASS, kom je die tegen in je klas?

Autisme en meisjes blijkt vaak een moeilijk te constateren fenomeen. Dat komt omdat meisjes met autisme vaak heel ander gedrag vertonen dan jongens. Het sociaal gedrag bij meisjes is vaak beter ontwikkeld dan bij jongens met ASS. Bovendien denken mensen bij autisme toch vaak als eerste aan een jongen die communicatief niet goed is, op zichzelf is en een buitensporige interesse heeft voor bijvoorbeeld zijn dinosaurus of treinen verzameling. Meisjes met ASS worden daarom vaak over het hoofd gezien. Hoewel jongens ongeveer 4 tot 7 keer zo vaak autisme hebben dan meisjes, zijn er wel degelijk meisjes met autisme.  Er wordt geschat dat 15% van de normaal begaafde mensen met autisme vrouw is. De beroemdste is ongetwijfeld Temple Grandin, maar ook in je schoolklas kun je meisjes zoals zij tegenkomen. En net als de jongens, kampen zij met problemen; de mensen om hen heen zijn onvoorspelbaar, de (sociale) omgeving ook en leren zonder samenhang te zien, valt niet mee. School kan voor hen een beangstigende plek zijn, waar de mensen onvoorspelbaar zijn en waar voortdurend onverwachte dingen gebeuren.

Wat merk je in je klas:

  • Als eerste dus het opmerkelijke feit dat je de meisjes veel moeilijker opmerkt, omdat zij goed zijn in het maskeren van hun stoornis.
  • Ze vertonen vaak wel sociaal gedrag, ook al is dat vaak een imitatie van wat anderen doen.
  • Vanaf kleuterleeftijd lijken meisjes met ASS zijn meer geneigd om contact te zoeken en zijn ze in het algemeen wat minder teruggetrokken dan jongens met ASS. Toch is het gedrag vaak niet sociaal adequaat en onvoldoende afgestemd op de omgeving (geen wederkerigheid). Ze zijn vaak claimend en dwingend in hun communicatie. Ze begrijpen de sociale codes vaak evenmin als jongens met ASS.
  • Het taalgebruik ligt vaak op een hoger niveau dan het begrip van de taal.
  • Meisjes vertonen minder explosief gedrag dan jongens. Het gedrag wordt vaak omschreven als naïef of lief, terwijl hun gedrag eigenlijk gebrekkige sociale vaardigheden laat zien.
  • Waar jongens zich soms meer afzijdig houden, proberen meisjes er bij te horen. Zij zoeken dus actiever naar vriendschappen dan jongens met autisme. Wel zoeken ze vaak vriendschap met kinderen die jonger zijn. Als anderen zich gaan interesseren voor jongens en make-up, zijn zij daar vaak nog niet aan toe.
  • Ze hebben meestal één goede vriendin in plaats van een grote vriendinnengroep of ze hebben een soort “moederfiguur” om zich heen, die hen helpt een beetje aansluiting te vinden.
  • Vaak zijn deze meisje bijna geobsedeerd door paarden of katten.
  • Meisjes hebben vaker wel verbeelding (bij jongens is dit vaak veel minder aanwezig), maar zij verliezen eerder de realiteit uit het oog.
  • Ze houden zich vaak niet bezig met mode zoals andere meisjes vaak doen, tenzij het toevallig hun preoccupatie van dat moment is.
  • Ze gebruiken soms geen make-up, deodorant of parfum omdat ze dat irritant vinden (prikkelgevoeligheid).
  • Meisjes zijn gemiddeld meer sensorisch sensitief (DSM 5).
  • Het interesseert hen vaak niet wat anderen van hen vinden óf ze zijn juist doodsbenauwd wat anderen over hen denken. Eigenlijk twee uitersten dus.
  • Deze meisjes maken weinig oogcontact en hebben vaak een houterige motoriek.
  • Vaak hebben ze een slecht handschrift.
  • Rekenen kan problemen geven.
  • Deze meisjes zijn vaak heel goed in lezen, verhalen schrijven of andere creatieve uitingen.
  • Ze komen vaak jonger over.

 

Na de basisschool:

  • De problemen van meisjes met ASS ontwikkelen zich vaak razendsnel vanaf de brugklas en leiden niet zelden tot thuis zitten.
  • De meisjes lopen vast op het gebied van planning en overzicht. Hun schooltaken organiseren en het tempo bijhouden kan een probleem worden.
  • Daarnaast lopen de meisjes vast in sociale structuren. Ze willen meestal wel contact met leeftijdsgenoten,maar het lukt ze niet dit voor elkaar te krijgen.
  • Er ontwikkelen zich nogal eens extreme verlegenheid, angst- en paniekklachten. Dit komt vaker voor dan bij jongens. Ook ervaren ze lichamelijke klachten, dit alles als antwoord op de toenemende moeilijkheden.
  • Het komt ook nog al eens voor, dat je op school als docent weinig merkt van de problemen en dat de uitbarsting thuis pas komt.
  • Vielen de meisjes op de basisschool niet altijd heel erg op, in het VO lopen ze steeds meer kans gepest te worden of zonder vriendinnen te komen staan.
  • Meisjes geven vaker dan jongens met autisme aan zich ‘anders’ te voelen.
  • Sommige meisjes besteden overmatig veel tijd aan hun huiswerk en vertonen perfectionisme in schooltaken.
  • Er zijn echter ook meisjes die huiswerk weigeren.
  • Door gebrek aan zelfstandigheid, rigide opvattingen over bijvoorbeeld het huiswerk en het gebrek aan flexibiliteit die je in het VO nodig hebt, ontwikkelen zich soms forse schoolproblemen.
  • Meisjes met ASS lopen eerder kans anorexia te ontwikkelen (Treasure, J. 2011).
  • De meisjes ontwikkelen vaak internaliserende gedragsproblemen waar jongens met autisme externaliserend gedrag vertonen. Hierdoor worden ze vaak als extreem verlegen of angstig aangemerkt. Vaak wordt hun autisme niet eens onderkend, doordat men zich richt op de angstklachten.
  • Externaliserend probleemgedrag komt echter ook bij meisjes voor; het uit zich dan vaak in ongepast taalgebruik naar medeleerlingen en docenten.
  • Ze hebben moeite met open vragen en hebben moeite met reflectieopdrachten. Ook vragen beantwoorden in de klas gaat ze soms moeizaam af.
  • Pauzes en vrije momenten zoals tussenuren zijn vaak moeilijk voor ze. Sociaal contact kost hen veel energie en ze hebben soms last van te trage sociale informatie verwerking.
  • In de klas vinden zij het vaak moeilijk om hulp te vragen.
  • Ze hebben moeite met starten en stoppen van opdrachten.
  • Ze hebben soms last met de weg vinden in school.
  • Ze beschikken vaak over beperkte oplossingsvaardigheden.

Wat kun je doen in je klas?

  • Door zorgcoördinator, mentor of leerlingbegeleider moet er gekeken worden wat de ondersteuningsbehoefte is. Houd er rekening mee, dat dit vaak behoeftes zijn die bij andere leerlingen al niet meer nodig zijn.
  • Alle docenten die met de leerling werken, moeten op de hoogte zijn van de sterktes, maar vooral ook de zwaktes van de leerling. Zo help je onbegrip de wereld uit. Deze leerlingen doen immers niet expres dingen verkeerd.
  • Net als bij jongens met ASS moet er ingezet worden op voorspelbaarheid, verheldering, waken voor pestgedrag en dienen waar mogelijk aanpassingen gecreëerd te worden die de leerling helpen de toch al vaak moeilijke schooltijd door te komen. Zie daarvoor de pagina ASS of lees Gedragsproblemen in de klas in het voortgezet onderwijs.

 

Tot slot: DE leerling met ASS bestaat niet, de kenmerken gelden nooit allemaal en ook niet in dezelfde mate. Bovendien zijn veel kenmerken niet constant. Ondersteuning geven vraagt maatwerk, waarbij het zomaar kan blijken dat sommige handreikingen niet werken. Samen met leerling en ouders verder zoeken wat past bij deze leerling, deze docent(en) en deze ouders, is dan wat mijns inziens passend onderwijs is.

Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.