Autisme Spectrum Stoornis in de klas

Voortaan één benaming: Autisme Spectrum Stoornis of ASS (Eng: ASD: Autism Spectrum Disorder)

Autisme Spectrum Stoornis (A.S.S.) vervangt alle benamingen voor autisme en aan autisme verwante stoornissen. Hierbij moet je denken aan het vroegere klassiek autisme (Syndroom van Kanner), Stoornis van Asperger, PDD-NOS (Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified) en het binnen deze laatste restgroep voorkomende MCDD (Multiple Complex Developmental Disorder). Overigens zijn er over MCDD nog steeds bedenkingen. De stoornis is niet als aparte stoornis opgenomen in de DSM 5.

In de DSM 5 (Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders ) wordt op dit moment de term Autism Spectrum Disorder gebruikt voor alle vroegere stoornissen in het autistisch spectrum. De verschillende stoornissen zijn namelijk niet duidelijk van elkaar te onderscheiden wat betreft (neurobiologische) oorzaak, specifieke kenmerken en behandeling. Er is nu dus één term en de ernst wordt weergegeven in gradaties. Deze lopen van niveau 1 (vereist steun) via niveau 2 (vereist substantiële steun) naar niveau 3 (vereist zeer substantiële steun). Deze omschrijving van benodigde steun klinkt wat vaag, maar gelukkig hoef je als leerkracht noch de diagnose noch het niveau vast te stellen.

eenvoudig_20autisme

Geen kind is hetzelfde en dat geldt uiteraard ook voor kind met ASS. De vormen waarin autisme zich manifesteert zijn bij elk kind verschillend. Bovendien ontwikkelt autisme zich gedurende het ouder worden. Zo kan een kind nieuwe “symptomen” krijgen, terwijl andere verdwijnen. Het blijkt bijvoorbeeld dat de moeilijkheden met de executieve functies (de cognitieve processen die ons denken en handelen organiseren) eerder later aan het licht komen, dan vroeg.

De handreikingen op deze pagina kun je bij elk kind met autisme gebruiken. Uiteraard moet je, gegeven het hiervoor geschrevene, toch per kind kijken wat wel en wat niet werkt.

Voor leerkrachten die beknopte, praktische informatie wil over deze ontwikkelingsstoornis en deze in zijn groep wil kunnen toepassen, hoop ik hier een eerste handreiking te kunnen bieden. In mijn boeken Gedragsproblemen in de klas in het basisonderwijs en Gedragsproblemen in de klas in het voortgezet onderwijs, vind je overigens een uitgebreide versie van deze pagina. Voor andere literatuur verwijs ik je graag naar de literatuurlijst of de pagina met boektoppers.

Kinderen met autisme hebben het niet altijd makkelijk in de onvoorspelbare schoolomgeving. Ze moeten op hun tenen lopen om aan de complexe en onzichtbare verwachtingen van het schoolleven te kunnen voldoen. Uiteraard stopt hun autisme niet om drie uur, ook thuis hebben ze problemen. Kinderen die normaal of hoogbegaafd zijn en een vorm van autisme hebben, merken gaandeweg dat ze “anders” zijn dan andere kinderen. Ze willen graag net zo zijn, maar daarin slagen ze niet. Dit is een behoorlijke aanslag op hun zelfbeeld en een bron van frustratie voor ze. Een autistische jongen verwoordde het zo: “Ik ben een slechte kopie van een mens.”

Kinderen met autisme leggen meestal heel moeilijk contact en relaties met zo’n kind zijn vaak niet wederkerig. Je kunt wel inzetten op de relatie, maar daar moet je niet te veel van verwachten. Je moet vooral in je hele houding benadrukken dat het kind oké is. Ga uit van de sterke kanten van het kind en probeer van daar uit verder te werken.

Besef voortdurend dat voor een kind met autisme de dag een keten van gebeurtenissen is. Als daarin iets wordt veranderd, is de keten kapot en dat geeft onrust. Een kind met autisme koppelt betekenissen aan één context; als die context wijzigt wordt de wereld op dat moment onveilig. Onveiligheid geeft angst en angst zorgt vaak voor een woede-uitbarsting. Daarnaast vergt een schooldag vaak zoveel van een kind, dat overprikkeling op de loer ligt. Daarover lees je later meer.

De sterke kanten van kinderen met autisme:

  • Ze kunnen zich heel goed verdiepen in een bepaald onderwerp. Ze weten daar dan “alles” van.
  • Ze zijn eerlijk. Ze doorzien sociale spelletjes niet, dus liegen doen ze (bijna) niet.
  • Ze zijn vaak goed in het lezen van schematische weergaven.
  • Ze zijn goed in analytisch en deductief denken.
  • Doordat veel kinderen met autisme beelddenkers zijn, “zien” ze soms oplossingen van een probleem die wij niet “zien.”
  • Ze hebben een meer dan uitstekend visueel (lange termijn) geheugen. Soms bijna fotografisch.
  • Bij hen is afspraak ook afspraak. Regels geven immers houvast?
  • Ze merken veranderingen in de omgeving snel op.
  • Ze onderzoeken de wereld grondig.
  • Ze zijn beleefd tegen anderen.
  • Ze kunnen prima alleen spelen of werken.
  • Ze zijn goed in het reproduceren van feiten.
  • Ze zijn goed in systematiseren.
  • Hebben een scherp oog voor detail.
  • Kunnen onverstoorbaar werken.
  • Ze kunnen heel nauwkeurig werken.
  • Ze zijn beter dan gemiddeld in classificatietaken die kinderen zonder autisme saai vinden.
  • Ongeveer 10% van de kinderen met autisme heeft een “savant” , een specifieke bezigheid waar ze onwaarschijnlijk goed in zijn.
  • Ze zijn goed in taal en woordspelletjes; zeker kinderen met Asperger.

De_20Autist02

Minder ontwikkelde kanten:

  • Het leggen van verbanden. Ze zien wel de losse onderdelen, maar het geheel zien zij slechts met grote moeite (gebrekkige centrale coherentie).
  • Doordat ze één op één koppeling maken, moeten ze veel meer inspanning leveren op alle gebieden.
  • Door gebrek aan verbeeldend vermogen, kunnen ze niet op basis van opgedane ervaringen gevolgen van hun gedrag voorspellen. Ze kunnen zich met andere woorden “what..if?” niet voorstellen.
  • Deze kinderen hebben vaak gebrekkige executieve functies; Daardoor kunnen ze niet goed anticiperen, niet goed plannen en hun gedrag slecht reguleren.
  • Ze hebben moeite met sociaal gedrag. Ze begrijpen dingen niet, die de meeste mensen “als vanzelf” begrijpen.
  • Doordat ze er wel over nadenken, maar slechts een beperkte TOM (Theory Of Mind) hebben, schrijven ze anderen gevoelens en gedachten toe die niet kloppen, maar waarvan ze zelf denken dat dit wel klopt.
  • Ze hebben moeite om de context te gebruiken bij het begrijpen van bedoelingen.
  • Moeite met beurtverdeling in gesprekken. Met name een kringgesprek of een klassengesprek kan daardoor problemen opleveren. Een handig hulpmiddel in een kringgesprek kan de “talking stick” zijn. Wie deze mooi versierde stok in zijn bezit heeft, mag praten. De andere kinderen zijn stil. Ook afspreken na wie je iets mag zeggen kan helpen.
  • Deze kinderen hebben moeite om visuele informatie van het gelaat als context te gebruiken. Ze hebben dus moeite met gezichtsuitdrukkingen en met het “lezen” van ogen.
  • Ook met het zelf “zenden” van berichten met hun ogen hebben ze moeite.
  • Het gebied in de hersenen dat gezichten onthoudt, doet dat niet bij deze kinderen.
  • Deze kinderen hebben vaak moeite met oogcontact, omdat dit teveel prikkels geeft. Het is dus geen onbeleefdheid.
  • Ze kunnen zich moeilijk inleven in de emoties van anderen. Uit zeer recent onderzoek blijkt  overigens dat de emoties van anderen voor overprikkeling (vaak geuit als woede) zorgen.
  • Ze hebben moeite met mimiek.
  • Ze houden niet van (onverwachte) veranderingen.
  • Minder snelle informatieverwerking: zij verwerken de informatie anders. Auditieve informatie komt volgens de laatste onderzoeken 1/20 tot 1/50sec. later binnen in de hersenen dan bij andere kinderen. Dat betekent dat je deze kinderen bedenktijd moet geven na het stellen van een vraag. Een mooie illustratie daarover vind je hier.
  • Ze kunnen hun aandacht moeilijk verdelen; als ze hun boek moeten pakken voor de les, zijn ze jou al vergeten. Ook al ben je net met je uitleg bezig”. De uitdrukking “Ik kan maar één ding tegelijk,” gaat voor hen letterlijk op.
  • Een breed interesse gebied hebben. Deze kinderen hebben vaak eenzijdige interesses.
  • Omgaan met stress.
  • Deze kinderen hebben een zwak korte termijn geheugen.
  • Schrijven: hun gebrekkige, houterige motoriek zie je terug in het (leren) schrijven. Kinderen met Asperger hebben dit vaker. Soms is er zelfs sprake van dysorthografie (schrijfstoornis). Blokletters laten schrijven kan de leesbaarheid soms ten goede komen. Ook gebruik van een pc kan helpen.
  • Sommige kinderen (die vroeger als kinderen met Asperger gediagnosticeerd werden) lijken wel goed in taal, maar hun taalgebruik is niet sociaal adequaat en doet vaak ouwelijk en pedant aan(“de kleine professor”). Bovendien kunnen ze heel breedsprakig zijn en mist hun stem vaak de spraakmelodie.
  • Kinderen met een vorm van autisme begrijpen sarcasme en cynisme niet, omdat dit inzicht vraagt in het denken van de ander. Dit “mentalizing” (Frith, 2006), het inzicht hebben in de bedoeling van de ander ontbreekt (vrijwel) geheel.
  • Kinderen met autisme lijken vaak een goed oog voor detail te hebben, maar dit kunnen makkelijk de onbelangrijke details zijn. Voor hen is er geen onderscheid tussen belangrijke en minder belangrijke details.
  • Taal begrijpen in al zijn facetten. Met name het “figuurlijke” taalgebruik. Zo kunnen ze moeite hebben met begrijpend lezen, omdat daar de letterlijke betekenis van de tekst ontstegen wordt en er gezocht moet worden naar “de bedoeling.
gedragsproblemen_in_de_klas

Als je autisme heel kort wilt samenvatten kun je denken aan de volgende punten. Kinderen met autisme hebben aanhoudende tekorten in de sociale communicatie en sociale interactie: Tekorten in sociaal-emotionele wederkerigheid Tekorten in non verbaal communicatief gedrag welk gebruikt wordt voor sociale interactie. Tekorten in het ontwikkelen en onderhouden van relaties.

Daarnaast hebben ze vaak beperkte zich herhalende patronen van gedrag interesse of activiteiten, wat je kunt merken aan repeterende spraak of bewegingen, overmatig vasthouden aan routines of gedragspatronen en daardoor overmatige weerstand tegen veranderingen op elk gebied, alsook beperkte of gefixeerde interesses, waar ze abnormaal op focussen.

Een onverwachte hindernis: de context:

Kinderen met autisme spectrum stoornis hebben behalve moeite met bovenstaande dingen, moeite met het begrijpen, met het “zien” van de context (Vermeulen, 2009). In het kort uitgelegd is de context datgene wat betekenis geeft aan een bepaalde handeling. Denk aan je hand opsteken: dat kan betekenen: tot ziens; stop!; hallo!; stil, enz. Zo zijn vele, zo niet alle handelingen en verschijnselen in het dagelijks leven contextafhankelijk. Ze betekenen precies dát, door wat er omheen gebeurt. Tranen van verdriet of vreugde? Dat hangt af van de scène eromheen. Een bepaald gebaar, een bepaald woord heeft dus nooit één betekenis. Er zijn bij één woord of gebaar vele koppelingen mogelijk. Wij nemen de context in minder dan een oogopslag waar en geven daarmee het woord of het gebaar de juiste betekenis. Dit doen we niet bewust. Kinderen met autisme, gebruiken die context niet zoals wij. Zij koppelen bovendien woorden, gebaren, enz. aan één betekenis. Waar wij impliciet leren dat betekenissen niet vaststaan, maar afhankelijk zijn van de situatie, kunnen deze kinderen dat niet. Een rood stoplicht betekent voor hen stoppen, al sta je midden op een drukke weg (Jij zal hopelijk snel doorlopen). De andere betekenissen van rood licht (teruggaan, doorlopen, enz.) moeten zij expliciet aangeleerd krijgen.

Helaas zijn er teveel mogelijkheden om ze alles te leren op dit gebied, maar door de context zo duidelijk (eenduidig) mogelijk te maken, maak je het hen wel makkelijker. Wees je er dus bewust van, dat sommige dingen wel logisch uitgelegd lijken voor jou of voor andere kinderen, maar nog niet voor déze kinderen. Als je dat merkt, kijk dan nog eens naar de context en praat eens met het kind: Waarschijnlijk was je uitleg nog niet eenduidig genoeg. Wat dacht het kind dat er moest gebeuren? En waarom eigenlijk?

Een voorbeeld: “We lopen twee aan twee naar gym.” Lijkt concreet, maar kan voor veel verwarring zorgen. Zet deze uitspraak om in concrete gedragsinstructies. “Als je naam genoemd wordt, kies je een kind (of nog beter, noem zelf 2 namen). Pak elkaars hand en ga achter elkaar in de rij staan. Houd elkaars hand vast tot bij de gymzaal.”

Vertraagde en uiteenlopende ontwikkeling:

Een ander punt dat je je moet realiseren, is dat zelfs bij heel slimme kinderen met een autistische stoornis geldt, dat op sommige gebieden hun ontwikkeling uiterst traag en beperkt verloopt. Dit geldt met name voor de ontwikkeling van het sociaal inzicht en sociaal contact. Het is niet uitzonderlijk dat de ontwikkeling die een “gewoon” kind in de eerste 2 jaren doormaakt, bij een kind met autisme vele jaren vergt (Delfos,2008). Een kind van 17 met de sociale ontwikkeling van een 8-jarige is niet ongewoon. Maar ook een kind dat op een bepaald kennisgebied meer weet dan de andere kinderen en zelfs de leerkracht komt voor. De intellectuele en de sociale ontwikkeling kan dus mijlenver uiteenlopen. Je snapt dat je je als leerkracht kunt verkijken op de mogelijkheden van het kind. Overigens kan de ontwikkeling ook binnen het kennisgebied ver uiteenlopen. Een kind dat de moeilijkste woorden kan onthouden is soms niet in staat om zijn potlood niet te vergeten. Pas er overigens wel voor op om het kind op een “kinderlijke” manier aan te spreken, als de intellectuele vermogens gewoon of zelfs beter dan gewoon zijn. Dat komt bij het kind over alsof je het als een klein kind behandelt en zal niet werken. Dus de 17-jarige uitleg geven over een onderwerp dat normaal een 8-jarig kind leert en doe je op het niveau van een 17 jarige.

Kinderen met autisme hangen soms erg aan rituelen en obsessies. Ook kunnen ze nogal eens druk zijn. De rituelen en obsessies zijn in feite bedoeld om angst te verminderen en rust te creëren, namelijk de rust en veiligheid van het vertrouwde. Bewegen is een goede manier om stresshormonen af te voeren. Zo’n kind lijkt daardoor hyperactief, maar doet eigenlijk aan stressreductie. Als een kind dus drukker wordt, is er waarschijnlijk iets aan de hand waar het kind mee zit.

Wat kun je doen in je klas?

Als leerkracht moet je in je communicatie met deze kinderen een aantal basisregels in acht nemen, die het contact kunnen vergemakkelijken.

  • Ga uit van positieve verwachtingen. Laat merken dat je vertrouwen hebt in het kind.
  • Let goed op het kind. Kinderen met autisme lopen een verhoogd risico gepest te worden.
  • Communiceer positief: kinderen met autisme kunnen slecht tegen correctie en kritiek. Ze zien die namelijk niet aankomen, omdat ze de link tussen het gemaakte werk en jouw kritiek niet kunnen leggen. Bovendien zeg je met negatieve kritiek niet wat ze dan wèl moeten doen.
  • Benadruk wat het kind goed kan.
  • Deze kinderen merken dat ze “anders” zijn, zonder te begrijpen waarom. Dat is slecht voor hun zelfbeeld, probeer dus de positieve dingen van het kind veel aandacht te geven.
  • Ze zullen (vaak tevergeefs) hun best doen erbij te horen. als dat niet lukt kan dit de nodige frustratie geven met bijbehorend “verkeerd “gedrag.
  • Als jij boos wordt zorgt dat voor een stortvloed aan extra prikkels bij het kind. Dit geeft chaos in het hoofd van het kind en je boodschap komt dan zeker niet aan. Praat dus kalm en geef de boodschap zo summier mogelijk. Ellenlange verhalen zorgen voor meer chaos.
  • Trek eerst de aandacht van het kind als je wat wilt zeggen. Noem éérst zijn naam en zeg dan wat je wilt.
  • Begin dus nooit meteen met de boodschap die je wilt geven, maar gebruik een inleidend zinnetje, zodat het kind de tijd heeft zijn aandacht op jou te richten.
  • Vertraag je spreeksnelheid en geef bedenktijd, 5 á 10 seconden is niet ongewoon. Een langere verwerktijd komt ook voor.
  • Als je de boodschap nòg een keer geeft, gebruik dan dezelfde woorden, anders lijkt het een geheel nieuwe boodschap (dus niet parafraseren).
  • Houd het direct, simpel en kort.
  • Praat kalm en duidelijk, probeer de boodschap zo eenduidig mogelijk te maken.
  • Gebruik concrete, ondubbelzinnige positieve bewoording. Deze kinderen begrijpen figuurlijk taalgebruik vaak niet. Ze vatten dit letterlijk op. Dat wil overigens niet zeggen dat je ze figuurlijk taalgebruik niet kunt uitleggen/ leren.
  • Concreet moet soms nog concreter dan je denkt: “Ik kom zo bij je”, lijkt voor ons concreet, maar is voor een kind met autisme veel te onzeker. “Ik kom bij je als ik bij ik dit aan Monique heb uitgelegd” geeft al beter aan wat er gebeuren gaat..
  • Vermijd in het algemeen dus woorden als: zometeen, straks, misschien, ongeveer, enz.
  • Vuistregel om te controleren of je concreet taalgebruik bezigt: zie je zelf een plaatje voor je van wat je wil zeggen? Ja? Dan praat je concreet.
  • Kinderen met autisme zijn vaak beelddenkers.
  • Verwijs niet naar je eigen gevoelens. Kinderen met autisme kunnen hier echt niets mee. Wel kun je op een rustig moment gevolgen van bepaald gedrag op de gevoelens van anderen uitleggen.
  • Verwijs naar algemene en duidelijke regels. Stel die voor als onpersoonlijke regels. Dus niet: “Jij moet..”, maar ” Het is het beleefd als men…”
  • Geef opdrachten volgens het “Geef me de vijf®” principe (De Bruin,2005).Wat, wanneer (begintijd en eindtijd), met wie, waar, hoe?

gmd5_gedragsproblemenindeklas

  • Benoem steeds het doel van de les. Dat helpt het kind focussen op de hoofdzaak.
  • Geef maar 1 opdracht tegelijk, bespreek de uitvoering en geef de volgende opdracht als de eerste af is.
  • Ga tijdens het hulp geven naast het kind zitten. Je blik kan zo geen misverstanden opleveren.
  • Gebruik zo weinig mogelijk didactische werkvormen. Bij deze kinderen is één vast didactisch model beter.
  • Wees een duidelijke leerkracht met steeds dezelfde benadering. Steeds dezelfde stappen in je les en spreken met een duidelijke ik-boodschap (Ik wil dat je nu…).
  • Ook tijdens de instructie is verwerktijd nodig. Zeker als je iets uitlegt op het digibord (veel prikkels) is een korte puzzelpauze nodig tussen de verschillende stukjes.
  • Wijs het kind voordat je met de instructie begint op het feit, dat die ook voor hem/haar is. Noem eventueel de naam van het kind tijdens de instructie. “Reken deze som even zelf uit..Rick, jij gaat deze som ook uitrekenen..”
  • Houd er rekening mee, dat het kind een groep- of klassikale instructie niet opneemt. Vaak moet je nog apart instructie geven.
  • Het kan zijn dat het kind na de instructie tijd nodig heeft om alles even te verwerken en dus niet meteen begint.
  • Als je merkt dat tijdsdruk averechts werkt, geef dan extra tijd of geef minder werk.
  • Gebruik geen vage open vragen. Op een vraag als “Waarom doe je dat?”, kan het kind geen antwoord geven. Het heeft vaak geen idee welke informatie je van hem verlangt. Vraag liever Wat er gebeurde, Wie er bij betrokken waren en Wanneer het gebeurde. Verderop vind je hiervoor het voorvalrapport, wat bij zo’n gesprek goede diensten kan bewijzen.
  • Maak communicatie zo veel mogelijk visueel. Gebruik plaatjes,foto’s, schema’s, voorwerpen, enz. Overigens zijn kinderen met Asperger mogelijk vaker auditief ingesteld (Balthussen, 2003).
  • Gebruik geen opdrachten in vraagvorm. Op de vraag “Wil je voor het bord komen?” is de kans reëel dat het kind nee zegt. Gebruik de opdracht: “Ik wil dat je nu even voor het bord komt alsjeblieft.”
  • Als je iets hebt gevraagd en het kind reageert niet (goed), controleer dan of het je wel begreep. Ook als de opdracht jou duidelijk lijkt.
  • Maak tijdens het werken een vast rondje door de klas. Geef dit vooraf aan, zodat het kind zich geen zorgen hoeft te maken of je wel langs komt.
  • Wees je ervan bewust dat een gezichtsuitdrukking (fronsende wenkbrauwen of boos kijken bijvoorbeeld) door het kind niet begrepen worden. Datzelfde geldt voor lichaamstaal.
  • Eis geen oogcontact. Dit kan heel bedreigend zijn voor deze kinderen. Oogcontact geeft bovendien veel informatie waar deze kinderen niets mee kunnen, maar waar ze wel over moeten  “puzzelen.” Je boodschap komt dan zeker niet over.
  • Geen oogcontact maken vatten mensen op als onbeleefd. Leer het kind als trucje dat het bijvoorbeeld iemand tussen de wenkbrauwen kan kijken. Zo lijkt het net of het kind iemand aankijkt. Hierdoor wordt het kind waarschijnlijk aardiger gevonden.
  • Als een kind tijdens jouw instructie een andere kant opkijkt of zelfs van je afgewend zit, kan het goed zijn dat het dit juist doet om zich te kunnen concentreren. Denk niet meteen dat het kind “dus” niet oplet.
  • Probeer tijdens je instructie niet teveel gebaren te maken. Gebaren zijn een extra prikkel, die net teveel kan zijn.
  • Als je aan het tafeltje van het kind staat, hang dan niet over het kind heen. Veel kinderen met autisme vinden nabijheid van anderen niet prettig. Kijk hoe het kind reageert of vraag het gewoon.
  • Sommige kinderen vinden in de kring zitten om diezelfde reden niet prettig. Anderen zitten te dichtbij en kunnen je zomaar onverwacht aanraken of iets tegen je zeggen.
  • Omdat deze kinderen dus heftiger reageren op mensen in hun persoonlijke ruimte, kun je bij het handen geven vooraf benoemen wat je gaat doen: “Ik ga jou een hand geven. “
  • Grijp direct in bij ongewenst gedrag, anders kan het een gewoonte worden die zelfs houvast kan bieden. Grijp steeds op dezelfde manier in. Gebruik een ik-boodschap en een zakelijk argument. Bijvoorbeeld: “Ik wil dat je nu stil bent, anders krijgt …zijn werk niet af.”
  • Geef altijd concreet gewenst gedrag aan. Geef aan welk gedrag je verwacht, hoe het werk eruit moet zien, enz.
  • Verwacht niet dat het kind om hulp komt vragen, het heeft waarschijnlijk geen idee hoe dat moet. Let op signalen die uitgezonden worden en leer die interpreteren.
  • Probeer het kind wel te leren om hulp te vragen. Misschien door een onopvallend kaartje op zijn tafel te leggen. Leg hem ook uit naar wie hij moet komen voor hulp en wanneer dat wel/niet kan.
  • Houd rekening met wisselende vaardigheden. Wat het kind gisteren leek te kunnen, lukt vandaag niet. Dit kan komen door (zelfs minieme) verschillen in de situatie, de plek, de bladzijde, de gebruikte pen, enz., waardoor de gebeurtenis voor het kind nieuw lijkt. Ook worden geleerde vaardigheden niet spontaan in een andere situatie gebruikt. Aangezien de situatie bijna nooit precies hetzelfde is, geeft dit nogal eens problemen.
  • Houd er ook rekening mee dat veel kinderen met autisme een disharmonisch intelligentie profiel hebben. Ze kunnen dus uitblinken in het ene vak en heel slecht zijn in het andere.
  • Kinderen met autisme zijn zwart-wit denkers. Iets is of heel erg goed of heel erg fout. Nuanceren vergt namelijk overzien van het grote geheel. “Het is nu zo erg niet, want gisteren ..” Dat lukt hen dus niet. Ook over zichzelf kunnen ze zo zwart-wit denken.
  • Deze kinderen zullen vaak afwijzend reageren op een door jou voorgestelde verandering. Je hebt dan misschien de neiging daar tegenin te gaan en meer dwang uit te oefenen. Dit zal weer een tegenreactie geven.  Je kunt het beste de door jou genoemde verandering even laten bezinken en geen aandacht aan het kind schenken. Na de “verwerkingstijd” heb je kans dat het kind alsnog gaat doen wat je vroeg.
  • Kinderen met autisme willen ook nog wel eens reageren met “Dat wil ik niet, dat vind ik stom.” Vaak is er dan nog iets niet duidelijk in datgene wat ze moeten gaan doen. Controleer voor jezelf of je Wat, Hoe, Wanneer, Waar en met Wie (Geef me de vijf® ) duidelijk gemaakt hebt. Laat het kind dit desnoods zelf vertellen.

In je communicatie moet je dus rekening houden met wat je doet of niet doet. Daarnaast moet ook de sociale omgeving van het kind (klas, speelplaats) aangepast worden. Uiteraard probeer je ook het kind dingen aan te leren om zich beter te redden. Praat met de klas over autisme (wel na overleg met het kind en de ouders). Een aardige start is misschien het volgende filmpje: fragment uit de zus van Einstein. of het Klokhuis over autisme. Net zoals kinderen elkaar tijdens een rekenles helpen, kunnen ze ook een kind met autisme helpen de gang van zaken te verduidelijken.

Het is niet zo dat kinderen met autisme geen contact met anderen willen, vaak zijn de (ongeschreven) sociale regels te complex en lukt het hen niet. Dit merk je vooral op de speelplaats waar de kinderen samen spelen en met groepswerk. Waar andere kinderen de regels leren door aan de sociale situatie deel te nemen, zullen kinderen met autisme hierin veelal falen. Zij nemen een andere sociale werkelijkheid waar en leren de regels niet “spontaan.” Overigens kunnen kinderen met een hoge begaafdheid vaak compensatiestrategieën aanleren, waardoor ze zich kunnen handhaven in sociale situaties die niet te complex zijn.

sociaal_script_1

Een voorbeeld van een sociaal script. Het vertelt wat je kan doen. Dat geeft houvast.

Wat kun je als leerkracht nog meer doen:

  • Je kunt sociale situaties uitleggen met een sociaal script of een sociaal verhaal. Een uitleg over een sociale situatie en het gedrag dat hierin in het algemeen verwacht wordt. Hierbij kun je tekeningen en plaatjes gebruiken. Hoe visueler je de situatie maakt hoe beter.
  • Op de site sociaal opstap vind je hierover uitgebreidere informatie. Zelfs apps voor op je smartphone.
  • Houd er rekening mee, dat van het geleerde gedrag niet spontaan een transfer plaatsvindt naar andere situaties. Voor deze kinderen is elke situatie nieuw en niet vergelijkbaar met een andere.
  • Je kunt het kind koppelen aan een buddy. Een kind dat een tijdje uitlegt hoe je zou kunnen reageren of zorgt dat het kind mee kan spelen. Buddy’s moet je regelmatig wisselen om de buddy niet te overbelasten.
  • Je kunt zorgen voor een plekje waar het kind heen kan als alles hem te veel wordt. Uiteraard moet je van te voren ook met het kind doorspreken wanneer het daar heen mag, hoe het dat laat weten aan jou, hoe lang het daar mag blijven en hoe het terugkomt.
  • Geef het kind bij groepsopdrachten een taak die hij alleen, op een andere plek kan afwerken. Als de taak af is, brengt het kind deze terug naar de groep. Zo neemt het toch min of meer deel aan het groepswerk (Working-apart-together-systeem).
  • Leg aan klasgenoten uit, dat iedereen wel eens ergens hulp bij nodig heeft.
  • Gebruik eventueel een heen-en-weer schriftje tussen school en thuis. Zo kun je meteen de link tussen die twee leggen voor het kind. Onderhoud ook frequent mondeling contact met de ouders.

Voorspelbare omgeving creëren in tijd:

Naast de sociale omgeving aanpassen, moet je als leerkracht ook de rest van de omgeving zo voorspelbaar mogelijk maken voor het kind. Dit kan je als volgt doen:

  • Gebruik een zichtbare dagplanning.
  • Begin de dag met het doornemen van het dagprogramma. Laat het kind het programma benoemen.
  • Ook vaste routines die je verwacht kun je vastleggen in een schema dat je samen maakt. Bijvoorbeeld wat je moet doen als je bij het lokaal aankomt, hoe je binnenkomt (hand geven o.i.d.) en wat je daarna moet gaan doen (zitten, een boek pakken o.i.d.).
  • Voor sommige kinderen moet je het dagprogramma vaker doornemen. Doe dit op vast tijdstippen, bijvoorbeeld na de pauze. voor sommige kinderen kun je het dagprogramma misschien beter in delen doornemen. Wat gaan we doen tot aan gym, na gym, na de pauze, enz.
  • Als een onderdeel voorbij is, maak het dan onzichtbaar, draai het kaartje om of neem het weg, enz.
  • Iets veranderen wat “vaststond”, geeft meer stress dan de onzekerheid of iets mogelijk niet door zal gaan.
  • Als er iets verandert, noem dan eerst wat ervoor in de plaats komt, daarna pas wat niet door gaat.
  • Bekijk hoe je omgaat met de tijd. Er zijn kinderen die het nodig hebben te weten wanneer iets klaar moet zijn. Gebruik eventueel een time timer op je digibord of op tafel. Tegenwoordig zijn er zelfs apps voor op je telefoon of tablet met een time timer.
  • Sommige kinderen met autisme hebben namelijk totaal geen tijdsbesef. Met een timer help je dus een veiliger (meer voorspelbare) omgeving te maken.
  • Als het kind erg rigide met tijd omgaat (“Tien uur is tien uur en niet vijf over tien” ), moet je het kind leren dat een speling van een paar minuten gebruikelijk is en veel voorkomt op school.
  • Als een kind juist erg opgejaagd wordt van tijd, kun je de tijden bij het dagprogramma ook weglaten. De aanduiding voor het volgende vak wordt dan gewoon “Als taal klaar is, gaan we rekenen.”
  • Zeg wat je doet en doe wat je zegt.
  • Geef bij een wisseling van een les even te voren aan, dat er gewisseld gaat worden. Doe dit het liefst telkens even lang van te voren.” Over 5 minuten gaan we wisselen van taal naar rekenen. Over 2 minuutjes gaan we..” Gebruik eventueel een time timer.
  • Bereid het kind ook zo goed mogelijk voor op projecten, feestdagen, verjaardagen, enz. Neem het dagprogramma het liefst van te voren een paar keer door. Houd er in ieder geval rekening mee dat deze gebeurtenissen stressvol zijn voor deze kinderen.

timetimertime timer

Een van buiten opgelegde structuur, die zelf routine wordt, leidt mettertijd tot verbeteringen (Frith, 2005).

Voorspelbare omgeving creëren in ruimte:

  • Geef alles een vaste plaats in je klas.
  • Zorg dat het kind op een plek zit, waarbij zijdelings oogcontact met jou mogelijk is.
  • Geef liever geen plekje bij een smalle looproute, waar het kind vaak aangeraakt wordt. De meeste kinderen met autisme houden niet van aanrakingen.
  • Zorg dat duidelijk is wat op welke plek wordt gedaan. Maak bijvoorbeeld een werkhoek of een leeshoek, enz. Geef mondeling of met stickers of foto’s aan, waar de plek voor dient.
  • Label de opbergplekken. Een la met rekenmachines heeft daar een sticker op, de kast met schriften heeft ook een etiket, enz.
  • Als het kind snel afgeleid of overprikkeld is, scherm zijn werkplek dan een beetje af. Zet zijn tafel tegen een kast of muur. Je kunt zelfs schotten gebruiken die links en rechts van de tafel gezet worden (of als “muurtje” op de tafel). Je kunt met het kind afspreken dat hij die mag gebruiken als hij dat wil.
  • Hang posters en werkjes op een plek waar ze het minst afleiden. Dat zal meestal achter in de klas zijn. Borden met onderwijsondersteunend materiaal moeten tijdens het werk wel zichtbaar zijn.
  • Gebruik afsluitbare kasten. Zo vallen de details van alle spullen in de klas niet op. Gebruik desnoods een gordijn bij “open” kasten.
  • Zorg dat een kind met autisme zo dicht mogelijk bij de plek zit waar hij spullen moet pakken, of zorg desnoods voor een kastje bij hem. Dat lijkt vergezocht, maar door alle prikkels in een klaslokaal, wordt deze omgeving zo onvoorspelbaar en onoverzichtelijk, dat het kind de weg niet weet en afgeleid wordt door alle prikkels.
  • Houd je klasdeur zoveel mogelijk dicht als er veel mensen langs je lokaal lopen, of zorg dat het kind op een plek zit waar het de gang niet ziet. Dit vermindert de kans op afleiding.
  • Als het uitvoerbaar is, zorg dan voor een lokaal dat niet uitkijkt op een druk plein, een straat, enz. Hang anders halve gordijntjes o.i.d. op.
  • Zorg voor een time-out plek ergens in de klas als het mis gaat. Een kind met autisme buiten de groep of bij een collega plaatsen, werkt juist averechts, omdat dit zeer beangstigend voor het kind kan zijn.
  • Als je dingen in je lokaal wilt veranderen, geef die dan mogelijk van te voren aan. Bedenk dat niet de verandering stress geeft, maar het plotselinge karakter ervan.
  • Als je bijvoorbeeld naar gym gaat, geef het kind dan een vaste plek in de rij.

Duidelijkheid in activiteiten:

  • Laat kinderen met autisme niet kiezen uit allerlei mogelijkheden. Beperk de keuzemogelijkheden.
  • Gebruik een vrijetijdsbord om aan te geven wat het kind moet doen als het klaar is. Eventueel kun je ook zorgen dat er iets voor het kind klaarligt op een vaste plek.
  • Ook de activiteit kun je van te voren afspreken. Bijvoorbeeld: Na rekenen ga je even tekenen als je eerder klaar bent. Eerst taal maken, dan lezen, enz.
  • Als een kind met autisme moet stoppen met een activiteit, kun je zelf alvast zeggen dat het jammer is en dat het kind morgen (of op welk tijdstip dan ook) weer verder mag. Maak er tegelijkertijd het “wat jammer” gebaar bij. Grote kans dat het kind dit gebaar en de tekst ” jammer” overneemt en gewoon stopt zonder moeilijkheden.
  • Een kind dat een taak nog niet af heeft, wil vaak niet stoppen met die taak tot hij af is. Als je afspreekt wanneer de taak alsnog afgemaakt kan worden, neem je weer wat onzekerheid weg voor het kind.
  • Als een kind steeds dezelfde activiteit wil doen en moeilijk te bewegen is tot een andere, hanteer dan het Premack Principe: Kort gezegd is dit: als je eerst…(de minder leuke activiteit)dan mag je..(de activiteit die het kind wil). Schrijf of teken beide activiteiten op een kaartje: zo heeft het kind er zich op.
  • Een houder met steeds 2 verwisselbare kaartjes naast elkaar met daarop dat wat nu gebeurt en dat wat erna komt, werkt voor sommige kinderen rustgevend en voorkomt strijd over de volgende activiteit. Een whiteboard waar de activiteiten van de dag(of het dagdeel) opstaan, kun je bij het kind neerzetten/ophangen en het kind dit zelf laten beheren. De activiteit die afgelopen is, kan worden weggeveegd.

De taken voor het kind overzichtelijker maken:

  • Geef duidelijk het begin- en eindpunt van de taak aan. “Je begint hier..en eindigt daar.”
  • Verdeel de taak van het kind eventueel in kleine stapjes. Handig hulpmiddel is de Meichenboom (beertjes) aanpak of de aanpak uit “Geef me de vijf” (zie boven).
  • Geef het kind eventueel een stappenplan om zijn werk te maken. Bespreek dit stappenplan wel eerst samen om te kijken of het duidelijk is voor het kind. Voorbeeld stappenplan werk maken.
  • Haal overbodige informatie van het werkblad.
  • Als er meer oefeningen op een werkblad staan, zorg dan dat ze één voor één te tonen zijn.
  • Laat het kind alleen het materiaal op tafel leggen dat voor deze taak nodig is.
  • Zorg bijvoorbeeld voor een in- en uitbakje waar het werk in zit.
  • Boeken en schriften van hetzelfde vak kun je dezelfde kleursticker geven.
  • Zorg dat de opdrachten genummerd zijn.
  • Visualiseer je uitleg.
  • Houd er rekening mee dat bij het aanleren van woorden deze kinderen geen voordeel halen uit de context.
  • Deze kinderen kunnen niet luisteren en tegelijkertijd aantekeningen maken. Geef ze de aantekeningen van een goede klasgenoot of van jezelf.

Pauze:

Eén van de meer onoverzichtelijke momenten voor kinderen met autisme is waarschijnlijk de pauze. Iedereen loopt en praat door elkaar, de situatie verandert per seconde en is geen moment hetzelfde, laat staan voorspelbaar. Eventueel kun je voor het kind een stuk schoolplein afbakenen, waar het wat rustiger is. Ook kun je misschien zorgen voor een bezigheid die het kind leuk vindt. Een goede manier is om vóór de pauze even met het kind door te nemen wat het gaat doen. Op leraar24.nl kun je zien hoe een school dit pauzeprobleem opgelost heeft. Als dat nog te druk en onvoorspelbaar is, of gewoon in jouw schoolsituatie niet te realiseren is, kun je het kind misschien een andere activiteit laten doen tijdens de pauze.

Gym

Het vak lichamelijke opvoeding is voor kinderen met autisme een vak apart. Vaak hebben deze kinderen een slechte, houterige motoriek. Bovendien kunnen ze de snel veranderende situaties (denk maar aan een balspel), niet goed volgen.Wat vakleerkrachten op cluster 4 scholen hebben gemerkt, is dat zachte ballen een wereld van verschil kunnen maken. Die maken minder herrie en het incasseren van een worp gaat beter.

Veel van deze kinderen hebben last van de te grote, onoverzichtelijke ruimte. Een gymles zorgt dus al snel voor overprikkeling. Door hun vaak beperkte sportieve kwaliteiten, worden deze kinderen soms niet geaccepteerd in de sportteams. De vraag die je aan jezelf moet stellen is of kinderen met autisme alles van de gymles moeten meedoen, of dat je ze een gedeelte van de les moet laten “helpen” met materialen sorteren en tellen of iets dergelijks.

Misschien lukt het om met het kind hierover in gesprek te gaan. Het streven zou normaliter moeten zijn: meedoen met de les, maar dit mag niet ten koste gaan van het zelfbeeld van een kind of van zijn acceptatie in de klas. Als vuistregel kun je in ieder geval stellen dat competitieve spellen voor deze kinderen niet fijn zijn. Laat ze liever krachttraining of uithoudingsvermogen trainen. Voor vakleerkrachten gym is er nu een speciale handleiding verkrijgbaar bij www.centrumautisme.nl  hierin staan lessen waaraan deze kinderen kunnen meedoen. Overigens zul je ook met je klas moeten praten over goede en sterke kanten van elk kind. Leren accepteren van verschillen is immers een must! Je zult per kind moeten bepalen wat een verstandige handelswijze is. Er klakkeloos van uitgaan dat meedoen nu eenmaal “moet”, gaat niet werken.

Huiswerk:

  • Zet het huiswerk op een vaste plek op het bord.
  • Zorg dat het huiswerk genoteerd wordt op een vast moment. Laat een buddy controleren/meehelpen of controleer het zelf.
  • Zorg voor een lijstje waarop staat wat er die dag mee naar huis moet.
  • Misschien is er af te spreken wie het kind kan bellen of mailen als er toch problemen zijn met het huiswerk.
  • Soms is een extra set boeken thuis erg handig. Bespreek dit met de ouders.
  • Probeer met de ouders af te spreken dat er vaste momenten zijn voor het huiswerk. Dit kan veel heibel thuis voorkomen.
  • Maak eventueel een dagplanning samen met het kind. Het kan zien hoeveel tijd het kwijt is aan huiswerk die dag. Download hier het formulier:  Dagplanner huiswerk.
  • Om een les, huiswerk of zelfs een spreekbeurt te plannen, kun je het plan van aanpak formulier uitproberen. Dit vul je in eerste instantie samen met het kind in, later kan het kind dit zelf. Het formulier geeft houvast en overzicht over de te nemen stappen in het werk.
  • Als het kind niet graag huiswerk maakt, gebruik dan weer een als..dan..kaartje.

Toetsen:

  • Geef deze kinderen extra tijd (“puzzeltijd”) om de vragen te maken.
  • Het kan voorkomen dat deze kinderen het verband tussen de inleiding en de vragen niet zien (moeite met de context).
  • Voor andere kinderen begrijpelijke toetsvragen, kunnen voor hen onduidelijk zijn. Een opdracht als “Leg uit” of “omschrijf” is niet concreet genoeg.
  • Gebruik eventueel de checklist ‘autisme vriendelijk toetsen’.
  • Overhoor eventueel mondeling.
  • Het kan helpen de toets in een rustige (prikkelarme) ruimte te maken en niet in het volle klaslokaal.

Werkstukken en spreekbeurten:

Deze kinderen hebben niet het overzicht om “zomaar” een werkstuk of spreekbeurt in elkaar te zetten. Daarnaast zal de angst om erover in de klas te moeten vertellen niet veel goeds doen voor ze. Misschien is het mogelijk om samen met het kind kleine stukjes te maken.  Het is ook goed om een stappenplan op te stellen voor het kind. Overigens hebben ook alle andere kinderen daar wat aan. Je kunt de te verrichten werkzaamheden overzichtelijker maken met het plan van aanpak. Zie boven. Het spreken voor de groep zou ik afraden, tenzij het kind dat zelf wil.

Straf:

Kinderen met autisme leven in het hier en nu. Ze kunnen zich de toekomst niet voorstellen. Het kind leert niet van straf. Het ongewenste gedrag moet dan ook niet bestraft worden. Help het kind controle en grip op de situatie te krijgen. Dat kun je doen door ze regels te geven om de wereld te begrijpen en zich veilig(er) te voelen. Probeer of je de “logische gevolgen” van het gedrag kan uitleggen. Zo leert het kind misschien de oorzaak-gevolg relatie van zijn gedrag begrijpen. “Je hebt het autootje van Tim kapot gemaakt. Nu moet jij het maken of een nieuwe aan hem geven.” (schadevergoeding). “Ik snap dat je hem geen pijn wilde doen, maar schoppen doet wel pijn. Ga maar zeggen dat het je spijt.” (emotionele bewustwording).

Regels:

Formuleren van positieve regels werkt voor alle kinderen beter dan negatieve regels, maar voor kinderen met autisme is een regel als “Niet rennen in de gang” zinloos. Door een negatieve regel denk je namelijk juist aan dat wat je wil vermijden. Denk maar eens even niet aan een roze olifant. Wat er zojuist bij jezelf gebeurde, gebeurt ook bij de kinderen. Wat moet het kind wèl doen, daar gaat het om. “We wandelen rustig in de gang” werkt beter. Voor een kind met autisme helpt het, wanneer je het “waarom” van de regels goed uitlegt.

Conflicten met andere kinderen

Kinderen met autisme denken vanuit zichzelf: ze kunnen niet anders. Zij hebben een beperkte “ik-ander differentiatie”(Delfos,2007) en een beperkte TOM (Theory Of Mind). Zij kunnen zich niet voorstellen dat andere mensen andere gedachten en gevoelens hebben dan zij. Ze kunnen zich ook niet voorstellen dat die ander dus niet weet wat zij zelf denken en voelen. Daardoor komen ze vaak in conflict met andere kinderen. Wat spelen betreft zitten ze vaak nog in de fase van een peuter. Ze zitten nog in de fase van toevallig-niet persoonlijk geïnteresseerd spelen (Delfos, 2008). Dit sluit niet aan bij wat de andere kinderen doen. Daarbij bedienen ze zich ook vaak van afwijkend taalgebruik, is hun motoriek houterig en hun belangstelling voor de wereld vaak afwijkend. Kinderen zonder autisme ervaren dit als “anders.” En wat anders is, is op deze(?) leeftijd al snel verkeerd. Een kind met autisme loopt dus grote kans afgewezen, buitengesloten en gepest te worden. Zeker als deze kinderen wat ouder worden, merken ze dat ze buiten de groep vallen. Vaak gaan ze hun best doen om erbij te horen, zonder dat dit resultaat geeft. Dat kan uiteraard een bron van enorme frustratie worden: je merkt dat je er niet bij hoort, maar je weet niet wat je daaraan kan doen. Dit heeft grote invloed op het zelfbeeld van deze kinderen. Omdat een kind met autisme de beweegredenen van anderen niet begrijpt, lijkt het soms of het pestgedrag uitlokt. Het kind heeft echter totaal geen inzicht in wat het verkeerd doet! Het kind heeft overigens ook geen idee hoe het andere kinderen om hulp moet vragen of de leerkracht zou moeten inschakelen als het merkt dat het gepest wordt en staat dus nog meer alleen dan andere gepeste kinderen.

ImageGen

Autismevriendelijk en toch gaat het nog (regelmatig) mis:

Je hebt alles geprobeerd voor dit kind, maar het heeft soms enorme driftbuien. Deze driftbuien van kinderen met autisme spectrumsyndroom blijken vaak voort te komen uit angst. Die angst ontstaat dan door onvoorspelbaarheid en onbegrijpelijkheid van de omgeving en/of overprikkeling van het kind. Kinderen met autisme hebben vaak “rituelen”, vaste gewoontes, die hen houvast geven. Het onderbreken hiervan zorgt vaak voor driftbuien. Het kan ook zijn, dat het kind ergens zo in opgaat, dat jouw poging tot onderbreken van de bezigheid voor het kind uit de lucht komt vallen. Dit veroorzaakt angst, paniek en een driftbui. Datgene waar het kind op dat moment in opgaat, hoeft overigens niet een voor jou zichtbare bezigheid te zijn. Het kind kan ogenschijnlijk niets doen, maar diep in gedachten (eigen wereld) zijn.

Afbeelding1

Sensorische overprikkeling:

Nog maar kort geleden heeft men ontdekt dat veel kinderen met autisme vaak last hebben van sensorische overbelasting. Stel je hierbij voor dat je zelf de hele tijd onder een flikkerende tl-buis zit of dat je een video opname van een drukke klas ziet, waarbij het geluid erg hard staat; de videocamera filtert het geluid niet, alles klinkt even hard. Zo ongeveer maken veel kinderen met autisme de schoolomgeving mee. Zij kunnen dus hinder hebben van veel dingen die wij zo niet ervaren. Die hinder varieert van lichte ergernis tot echte pijn aan ogen, oren en huid. Overigens komt overprikkeling niet altijd van voornoemde zaken, ook teveel informatie of merken dat ze constant tegen moeilijkheden oplopen, de enorme berg prikkels op een schooldag kunnen allemaal leiden tot overprikkeling. Deze zintuiglijke ongemakken zijn een grote bron van stress. Onderschat dit niet: kinderen kunnen  hier echt van ontregeld raken en kunnen op dat moment niet normaal meer functioneren.

  • Vraag aan ouders en/of aan het kind zelf van welke prikkels het last heeft.
  • Observeer goed of je problemen op dit gebied ziet. Denk aan hinder van de computerschermen, het digibord, teveel geluid in de omgeving,enz.
  • Bekijk hoe je de blootstelling aan die prikkels kunt verminderen. Soms werken simpele oplossingen al: draai de computerschermen of de tafel van het kind in een andere richting, geef geen ruitjesblad als het kind er veel hinder van heeft, laat het kind een hoofdtelefoon opzetten tegen te veel omgevingslawaai, enz.
  • Besef dat een leerling die overprikkeld raakt soms niet goed meer aanspreekbaar is. Dat is geen onwil. Haal de leerling weg bij de prikkels en/of laat hem ergens rustig worden.
  • Spreek met de leerling een systeem af om aan te geven in welke fase hij zit. bijvoorbeeld: groen; alles oké. Oranje: het wordt me teveel. Rood overload, ik moet onmiddellijk weg hier.
  • Bij ernstige problemen of vermoeden hiervan kun je de Checklist Zintuiglijk Profiel van Olga Bogdashina laten invullen. Dit is een zeer uitgebreide lijst, waarmee de problemen en mogelijkheden in kaart kunnen worden gebracht. Dit moet gebeuren door een professional op dit gebied, omdat de uitkomsten makkelijk verkeerd kunnen worden geïnterpreteerd.

 

Sensorische onderprikkeling:

Ook dit komt voor. Deze kinderen zoeken de prikkels op en krijgen maar geen genoeg van een bepaalde prikkel. Ze herhalen dan bepaalde bewegingen of maken bepaalde geluiden, al dan niet met behulp van een voorwerp.

  • Kinderen met deze onderprikkeling reageren slecht op normale prikkels. Ze reageren bijvoorbeeld niet als je hun naam  noemt.

Als het kind boos is:

Iemand die boos is, is gespannen en zal veel dingen als een nieuwe aanval beschouwen. Door de aanmaak van adrenaline, is er bovendien geen “echte” communicatie mogelijk. Een beroep doen op rede en gezond verstand zal moeten wachten tot later. Op dit moment kun je alleen proberen de brand te blussen door nieuwe prikkels te vermijden. Soms kun je de uitbarsting zien aankomen; het kind stelt steeds meer vragen, het kind maakt herhaalde bewegingen, het kind klaagt over teveel licht, geluid, enz. (sensorische overbelasting). Dit soort signalen kunnen dus een voorbode zijn van een uitbarsting.

  • Probeer geen vasthoudend oogcontact. Dit zal averechts werken. Wel kun je het kind met tussenpozen aankijken.
  • Eis niet dat het kin dje aankijkt! dit zijn nóg meer prikkels. Bovendien zijn het prikkels die het kind niet begrijpt.
  • Raak het kind als het niet echt noodzakelijk is, niet aan. Dit kan als agressie ervaren worden en maakt de zaak erger.
  • Houd rekening met de persoonlijke ruimte. Als vuistregel kun je 1 meter afstand aanhouden.
  • Als het kind overstuur is, kunnen geluiden in de directe omgeving de zaak verergeren. Probeer geluid wat uit kan ook uit te (laten) zetten.
  • Luister naar wat het kind zegt. Soms kan de uitbarsting komen door iets dat in onze ogen heel klein lijkt. Het “probleem” is misschien makkelijk op te lossen.
  • Spreek zelf langzaam, kalm en zacht. Gebruik korte, eenduidige zinnen.
  • Wees je bewust van je lichaamstaal. Vermijd over elkaar geslagen armen, een boze blik, enz. Neem een open houding aan en richt je op het kind.
  • Het helpt soms het kind af te leiden van de probleemsituatie door zo onopvallend mogelijk over iets leuks te beginnen.
  • Laat als het mogelijk is, andere personen de ruimte verlaten. Dat is vaak lastig, maar werkt wel het best.
  • Een echt gesprek over wat er gebeurd is, heeft pas zin als het kind helemaal gekalmeerd is, hiervoor en voor andere incidenten, kun je het voorvalrapport gebruiken. Het kind schrijft eerst alles op, waardoor het makkelijker over het gebeurde kan praten.

De truc met de wekker:

Soms blijven deze kinderen zich koppig op een bepaalde manier gedragen. Dit kan hun leren belemmeren. Het lukt vaak niet om een einde aan het voornoemde gedrag temaken. Wat kan helpen is er een tijdslimiet aan koppelen. Zo gauw het kind het ongepaste, koppige gedrag vertoont, zet je een wekker. Leer het kind dat als de wekker afloopt, het weer gewoon met de klas mee moet doen. In de loop van een aantal weken kun je de wekkertijd steeds korter instellen (Notbohm en Zysk, 2008).

Een andere mogelijkheid waarom het verkeerd gaat, kan verkeerde inschatting van de ontwikkelingsleeftijd zijn. Wat je het kind wil uitleggen, komt dan niet aan. Omdat de ontwikkeling op het ene of het andere gebied erg uiteen kan lopen, is de volgende vuistregel misschien een hulpmiddel om die leeftijd vast te stellen: bekijk het gedrag waarvan je denkt, dat het niet past. Zoek uit bij welke leeftijd dit gedrag nog normaal is. Ga ervan uit, dat dit dan de leeftijd is waar het kind zit. Je moet het kind dan ook aanspreken op een manier die bij die gevonden leeftijd past. Het is overigens goed mogelijk dat een basisschoolkind nog aangesproken moet worden op het niveau van een peuter wat sociaal ontwikkelingsniveau betreft. Voor een kind met Asperger of PDD-nos blijft het de hele basisschooltijd nodig om informatie op het sociale vlak te geven.

De kunst en meteen ook het probleem voor jou als leerkracht, is te achterhalen waar het fout gaat. Begin met te bedenken dat wanneer het verkeerd gaat, JIJ niet duidelijk was, of dat JIJ het kind niet begrijpt. Dat is niet makkelijk, maar jij hebt geen stoornis en kan je dus aanpassen. Ga in gesprek met het kind en de ouders. Waarschijnlijk kunnen zij er eerder achterkomen wat er (nog) niet duidelijk is. In de praktijk kun je namelijk niet de hele dag met dit kind bezig zijn. Daardoor mis je naar alle waarschijnlijkheid signalen die wijzen op overprikkeling of onduidelijkheden.

Helaas zijn er geen gegarandeerde resultaten, net zo min als er pan-klare oplossingen zijn. Zolang je plezier hebt in de begeleiding en je het kind de kans geeft zichzelf te zijn, in een zo veilig mogelijke omgeving, ben je in ieder geval op de goede weg.

Een kleuter met autisme in je klas:

Hoe vroeger autisme ontdekt wordt, hoe beter het is voor het kind. Er zijn al tests om op 2 á 3 jarige leeftijd vast te stellen of een kind een autistische stoornis heeft. Tegenwoordig heeft het Leo Kannerhuis zelfs een voorlichtingsfilmpje waarmee ouders kunnen zien of hun kind mogelijk autisme zou kunnen hebben. Als je een kleuter in de groep hebt die mogelijk een vorm van autisme heeft, kun je een aantal van onderstaande “problemen” tegenkomen. De opsomming is niet bedoeld om te laten zien wat deze kinderen allemaal niet kunnen, maar is bedoeld om je een idee te geven waar deze kinderen tegen aan lopen en als het kind niet gediagnosticeerd is je alert te maken. Mogelijk heb je hier te maken met autisme en niet met een irritant en vervelend kind.

  • Bij een kleuter met autisme is de spraakontwikkeling vertraagd (een kind met voormalig klassiek autisme of PDD-Nos) of eigenaardig (kind met wat voorheen syndroom van Asperger heette).
  • Het kind heeft een gering taalbegrip.
  • Soms heeft het kind een eigen jargon of gebruikt het een vorm van echolalie; herhalen van opgevangen woorden of zinnen waar het kind de betekenis niet van kent. Het kan ook voorkomen dat het kind woorden of zinnen gebruikt die absoluut niet lijken te passen bij de gangbare betekenis. Een kleuter zei op school steeds: vogel zien. Dat dan wilde zeggen dat het naar familieleden ging die een vogel hadden.
  • Het kind kan nog niet goed zeggen wat het denkt of wat het wil. Als iets dus niet gaat zoals het kind dacht, krijgt het woedeaanvallen, gaat het gillen, enz.
  • Een kleuter met autisme heeft soms een afwijkende motoriek: het loopt op de tenen, fladdert met de armen, zit of staat te schommelen, draait om zijn eigen as, enz.
  • Het kan zijn dat het kind aan alle voorwerpen ruikt, likt of ze in de mond stopt. Soms wil het ook ruiken of likken aan mensen.
  • Deze kleuter kan een ongewone interesse hebben in visuele effecten en doet bijvoorbeeld het licht steeds aan en uit.
  • Het kind heeft grote weerstand tegen nieuwe dingen.
  • Dingen die aangeleerd worden, gebruikt het niet in andere situaties.
  • De kleuter speelt nauwelijks met andere kinderen en als dat wel gebeurt, wil het kind alles regelen, zodat het controle heeft.
  • Een kleuter met autisme vertoont nauwelijks “doen alsof spel.”
  • Vaak heeft het kind een voorkeur om eenvoudige spelletjes telkens opnieuw te doen.
  • Het kind gebruikt speelgoed op een “oneigenlijke” manier. Het zet bijvoorbeeld steeds de autootjes of poppen op een rij.
  • Als het kind wel een fantasie spel speelt, gaat het daar dikwijls zo in op, dat het de realiteit uit het oog verliest; het kind dat een leeuw speelt, bijt ineens echt.
  • Het kind doet weinig spel van anderen na.
  • Straf en beloning lijken geen effect te hebben.
  • Het kind reageert vaak niet op zijn eigen naam.
  • Als je tegen het kind glimlacht, glimlacht het niet terug.
  • Het kind doet niet mee met in de handen klappen en andere klassikale motorische spelletjes.
  • Het kind stoort anderen in hun spel.
  • Het kind kan heel druk zijn. Het rent, stampt en gooit soms zelfs met dingen.

imagesCAWDGO85

  • Het kind verwijst naar zichzelf als “jij” of “hij/zij.” Dit is tot het derde levensjaar normaal, daarna niet meer.
  • Het kind is niet in staat een goed gesprek te voeren, maar kan dit wel als het over zijn eigen preoccupatie gaat.
  • Het kind lijkt de regels in de groep niet “als vanzelf” te begrijpen waar andere kinderen dit wel kunnen. Het kind heeft bijvoorbeeld openlijk commentaar op de juf.
  • Het kind kan een te heftige of juist te afstandelijke relatie met de leerkracht hebben.
  • Het kind vertoont heel heftige reacties als je in zijn persoonlijke ruimte komt. Dat komt omdat veel kinderen met autisme zich niet prettig voelen als (onvoorspelbare) anderen te dicht bij komen. Ze zouden je ineens kunnen aanraken, aanspreken, enz.
  • Het kind reageert heftig op aansporingen als “schiet op.” Dit is namelijk een boodschap waar het kind niets mee kan, maar waar  het wel over gaat “puzzelen.” Dat betekent dus nog meer prikkels en “openstaande mapjes.”

Meer lezen over hoe je kinderen met autisme spectrum stoornissen kunt begeleiden in je klas? In mijn boeken is een uitgebreid hoofdstuk over ASS te vinden. Klik op de afbeelding om door te gaan naar bestellen.

 

 

 

Voor uitgebreide uiteenzettingen over autisme zijn de volgende auteurs een aanrader:

Een lezing op school over autisme? Klik dan hier

‘Heb je een kind met autisme gezien, dan heb je er een gezien.’ Naar Lorna Wing. Hierdoor zullen sommige omschrijvingen niet kloppen en sommige handreikingen niet werken.

 

gedragsproblemenindeklas_autisme1

Vaak lijkt het gedrag onwil te zijn, maar..bij kinderen met autisme wordt het meeste ongewenste gedrag veroorzaakt door angst,onmacht of onvermogen.

Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.