Hechtingsproblemen

Onbekend

Over hechtingsproblemen en -stoornissen is vaak niet heel veel bekend bij leerkrachten. Toch lijdt waarschijnlijk 5% van de kinderen aan een problematische hechting. Circa 1%  lijdt aan reactieve hechtingsstoornis (RHS). Om enig inzicht te krijgen in de problemen die niet goed gehechte kinderen en kinderen met een hechtingsstoornis hebben, volgt er eerst een stuk algemene theorie.

Hierbij is een kanttekening op zijn plaats: als leerkracht kun je een hechtingsstoornis of een “mislukt” hechtingspatroon natuurlijk niet vaststellen. Het onderscheid tussen onveilige hechtingsvormen en een hechtingsstoornis is in veel artikelen onduidelijk. In het algemeen kun je zeggen dat hechtingsproblemen kunnen leiden tot ontwikkeling van een hechtingsstoornis. Kinderen vertonen mogelijke gedragingen die in verschillende combinaties kunnen voorkomen. Dat klinkt vaag en dat is het ook. De problemen van deze kinderen zijn even moeilijk vast te stellen voor een leerkracht als het voor de kinderen en hun ouders is, om er mee te leven. Veel van deze kinderen zijn meesters in het verbloemen van hun eigenlijke problemen en tevens meesters in het taxeren en bespelen van anderen. Dat is namelijk hun overlevingsstrategie.

Hoe verloopt hechting:

Een pasgeboren kind heeft zijn omgeving nodig om zijn behoeften te bevredigen: eten, drinken, warmte en genegenheid zijn nodig om goed te overleven en harmonieus op te groeien. Het kind leert “als vanzelf” dat de ouders in al zijn behoeften voorzien. De eerste drie maanden is de baby nog niet selectief in het “uitzoeken” van verzorgers, maar na 3 maanden krijgt de baby voorkeur en reageert selectief op de aanwezigheid van bepaalde personen (meestal de ouders en meer nog de moeder). Na 5 à 6 maanden komt 1 persoon centraal te staan (exclusieve hechting). Het hoogtepunt van de exclusieve hechting is de eenkennigheidsperiode, na 7 à 8 maanden. Als de verzorgers responsief reageren op de behoeften van het kind, vindt meestal veilige hechting plaats. Na 9 maanden begint het kind door te krijgen dat zijn verzorgers nog terugkomen ook al ziet hij ze op dat moment niet. Langzamerhand maakt het kind zich los van de opvoeder en gaat de omgeving verkennen. Wel zal het bij spanning meteen naar de opvoeder terug vluchten. Na 10 maanden begint het kind te leren dat het contact met de opvoeder ook voor het plezier van de ander is. Het kind wordt zelfstandiger en leert de jaren daarop dat het verder bij de opvoeder vandaan kan. Het leert ook dat boosheid van de opvoeder niet leidt tot kwijtraken van die opvoeder.

Er is sprake van basisvertrouwen: door ervaring van onvoorwaardelijke zorg en genegenheid heeft het kind geleerd op eigen houtje dingen te ondernemen, ook tegen de wil van de verzorgers in, zonder dat hij bang hoeft te zijn hun liefde kwijt te raken. Eigenlijk is er een evenwicht ontstaan tussen het zoeken van de nabijheid van de opvoeder en het exploreren (en dus loslaten) van diezelfde opvoeder. Er is dus sprake van een goede hechtingsrelatie. Een goede hechtingsrelatie is op te vatten als een beschermende laag rond de persoonlijkheid, die de weerbaarheid om het leven aan te kunnen, vergroot.

separation_anxiety_disorder

Als de hechting niet goed verloopt:

Het hechtingsproces is een complex proces. Zoals alle complexe processen kunnen daarbij dingen fout lopen. Niet ieder kind hecht zich goed. Er is dan een verstoorde ouder- kind relatie.De Amerikaanse wetenschapper Ainsworth onderscheidde na het strange situation experiment drie gehechtheidspatronen, later kwam er een vierde patroon bij:

  • Het vermijdend gehechte kind: Dit kind reageert niet of nauwelijks als de opvoeder vertrekt en weer terugkomt. Het onderdrukt zijn angstgevoelens om afwijzing te voorkomen. Ouders van dit kind reageren vaak strikt en rigide en hebben een afkeer van lichamelijk contact. Ze zijn consequent en ongevoelig.
  • Het veilig gehechte kind: Het kind reageert wel wat angstig op het vertrek van de moeder, maar is bij terugkomst weer gauw gerustgesteld. De ouders van dit kind zijn sensitief en toegankelijk voor het kind.
  • Het angstig-ambivalent gehechte kind: het kind blijft dicht bij de moeder en vertoont weinig exploratiegedrag. Het reageert heftig op weggaan en heftig op terugkomst van de moeder. Het wil opgepakt, maar tegelijkertijd reageert het boos en wil weer neergezet worden. Deze ouders zijn vaak onbereikbaar op momenten dat het kind hen nodig heeft. Ze reageren vaak onvoorspelbaar. Ze zijn inconsequent en sensitief.
  • Het gedesorganiseerd gehechte kind: Dit kind reageert heftig als de moeder weg is, maar “bevriest” bij haar terugkomst. Deze ouders vertonen beangstigend en onvoorspelbaar gedrag. Zij zijn inconsequent en niet sensitief.

Risicofactoren voor een onveilige hechting:

  • Ouderfactoren, zoals de eerder genoemde responsiviteit en sensitiviteit, toegankelijkheid, ouders die zelf hechtingsproblemen kenden, relationele problemen, onverwerkte trauma’s, psychische problemen, tienermoeders, enz.
  • Gezinsfactoren: sociaal-economische situatie, hoeveelheid stress, relatieproblemen, al dan niet wisselende relaties (en daardoor mede-opvoeders), mishandeling of verwaarlozing
  • Kindfactoren: trauma, opvallende lichamelijke handicaps, kinderen uit draagmoederschap, adoptiekinderen, vervang en verzoenkinderen, geboortecomplicaties, couveuse verblijf, moeilijk temperament, huilbaby, verlies van een van de verzorgers, enz.

De risicofactoren op het gebied van de ouders blijken zwaarder te wegen dan de risicofactoren op kindniveau. Bovendien kunnen beschermende factoren op ouderniveau wel compenseren voor de risico’s op kindniveau, maar andersom is dit niet mogelijk. Beschermende factoren op ouder niveau zijn bijvoorbeeld ouders die sensitief en responsief zijn.

Gevolgen van onveilige hechting:

  • Het kind ontwikkelt geen vertrouwen in anderen en in zichzelf.
  • Het kind exploreert zijn omgeving minder (en leert dus minder).
  • Het kind krijgt problemen met gezagsaanvaarding. Geen basisvertrouwen betekent geen gezagsaanvaarding, geen gezag en dus geen opvoeding.
  • Het kind kan zelfs problemen met zijn fysisch welzijn krijgen.
  • Het kind snapt de sociale regels niet, het gedrag wijkt af. Het kind voelt niet aan “wat kan”en wat niet.
  • Het kind heeft weinig innerlijke structuur.

Onderzoek (Schore;1994; 2008) heeft aangetoond dat  kinderen die opgroeien met gebrekkige emotionele veiligheid letterlijk andere hersenen ontwikkelen. Met name het deel wat wordt geassocieerd met het vermogen tot aangaan van intieme en sociale relaties, vertoont minder synaptisering (minder verbindingen). Een onveilige hechting voorspelt incompetentie in omgang met leeftijdgenoten, overmatige afhankelijkheid van de leerkracht en minder zelfvertrouwen op de kleuterleeftijd. Ook is er soms sprake van meer impulsief gedrag of juist een grotere passiviteit, anti-sociale neigingen en depressie. Verder is er kans op ontstaan van schoolfobie (niet naar school willen en daar zelfs ziek van worden), gedragsstoornissen, suïcidepogingen of een dwangmatig streven naar onafhankelijkheid. Kortom: een veilige hechting is nodig voor een gezonde psychische en lichamelijke ontwikkeling.

Wat merk je aan het kind?

Een kind dat niet veilig gehecht is, kan een aantal clusters van gedragingen vertonen:

  • Klamperig- eisend gedrag: het kind klampt zich vast aan de ouders. Dit gedrag roept bij de ouders echter juist het gedrag op waar het bang voor is, waardoor het gedrag verergert. Het gedrag kan manipulatief overkomen. Sussen helpt niet, je kunt de angst van het kind niet wegnemen.
  • Rebellie: het kind doet stoer, heeft een grote mond en wantrouwt anderen. Het kind leeft in een toestand van spanning en bezorgdheid. Dit is het ” bodemloze-put” kind. Je kunt doen wat je wilt, de put raakt nooit vol.
  • Parentificatie: het kind gelooft dat zijn ouders degenen zijn die hulp nodig hebben. Het kind wil de ouders beschermen en van vrijwaren van zorgen.
  • De meegaande robot: dit kind is meegaand en beleefd. Het toont weinig tot geen emoties en de contacten met volwassen lijken gemakkelijk inwisselbaar. Het kind wordt vaak niet aardig gevonden. Hoeveel anderen het ook geven, het geeft niets terug.
  • Onverschillig-koel: het kind zoekt het meer in materiële zaken dan in relaties. Het kind stelt zich egocentrisch op.
  • Superster: dit kind kan zeer succesvol zijn in zijn prestaties. Het kind ziet zichzelf als superster, dat geeft hem controle. Ook kan het zo de nabijheid van anderen vermijden.

superstaer_gedragsproblemenindeklas

De onderliggende oorzaak voor alle gedragingen is angst. Angst voor de niet te vertrouwen volwassenen. Angst voor nabijheid, angst voor nieuwe dingen, want die zijn onbekend en onvoorspelbaar, daar heb je geen controle over. Angst om te presteren; want ik kan niet veel, angst om afgewezen te worden; want ik ben immers waardeloos en niet gewenst. Angst om verlaten te worden, ook al wil ik niemand dichtbij.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen die onveilig gehecht zijn en kinderen met een hechtingsstoornis. Kinderen die onveilig gehecht zijn, zijn soms nog enigszins benaderbaar. Het is echter een glijdende schaal. Bij een hechtingsstoornis is een meer onomkeerbare vorm van niet gehecht zijn aanwezig, Hechtingsstoornissen kunnen voorkomen bij pleegkinderen, adoptiekinderen, stiefkinderen, maar ook eigen biologische kinderen, die om een of andere reden het basisvertrouwen met de ouder(s) hebben moeten missen en daardoor niet veilig gehecht zijn, maar opgroeien volgens één van de andere hechtingspatronen.

Reactieve hechtingsstoornis:

  • Het geremde type: deze kinderen zijn overdreven waakzaam. Ze zijn vaak teruggetrokken en reageren afwijzend of zelfs negerend op toenaderingspogingen van volwassenen. Deze kinderen worden ook wel “frozen children” genoemd.
  • Het ontremde type: deze kinderen vallen op door contact met iedereen te zoeken. Het lukt echter niet om relaties te behouden. Ze zijn echter vaak charmant in de omgang, het zijn echte allemansvriendjes.

Gedragskenmerken van kinderen met een hechtingsstoornis:

  • Er is geen fundamenteel vertrouwen; geen bodem in het bestaan. Het kind voelt zich afgewezen, te kort gedaan en niet begrepen. Het kind zelf wijst vaak de moeder het meest af.
  • Het kind wil eigenlijk elke situatie onder controle houden.
  • Door hun “niet gewenst” zijn ervaring stellen ze zich letterlijk vernietigend op. Agressie t.o.v zichzelf (automutilatie) en de omgeving. Deze kinderen stellen zich voortdurend uitdagend op.
  • Agressie uit zich soms in mishandelen van dieren, bedreiging of mishandeling van de ouders, brandstichting, diefstal, liegen en later soms provocerend sexueel gedrag.
  • Er is geen controle over hun eigen impulsen.
  • Er is weinig “ik”.
  • Het kind vertrouwt geen volwassenen, dus ook geen leerkracht. Het gaat geen relaties aan. Men noemt dit ook wel een intern werkmodel dat gebaseerd is op wantrouwen.
  • Het kind is goed in het leggen van oppervlakkig contact, maar die contacten zijn inwisselbaar en worden alleen gebruikt voor eigen baten.
  • Thuis is vaak een machtsstrijd aan de gang over alles (school, bedtijden, enz.) waar derden niets van merken.
  • Sommige kinderen isoleren zich van de buitenwereld. Afspraken komen ze niet na.
  • Het kind is geniaal in het observeren, taxeren en manipuleren van zijn omgeving. Het stelt de tegenpartij van dat moment vaak in een kwaad daglicht. De ouders worden zwartgemaakt bij de leerkracht en andersom.
  • De gewetenontwikkeling is niet goed verlopen.
  • Het kind leert bijna niet van zijn fouten.
  • Het kind heeft een normaal IQ, maar dit blijkt vaak niet uit de schoolresultaten.

ist2_6666943-sad-childhechtingsproblemen_en_gedrag(1)

Welk gedrag kun je opmerken in je klas?

Als een kleuter of schoolkind niet veilig gehecht is, betekent dat er op emotioneel en cognitief gebied waarschijnlijk problemen zullen ontstaan. De problemen hoeven niet altijd goed zichtbaar te zijn. Soms zijn er wel waarneembare signalen. Maar doordat deze kinderen soms ineens wel weten hoe ze zich moeten gedragen, word je soms op het verkeerde been gezet. Wel kun je in je achterhoofd houden dat onverwerkte verlies- en scheidingservaringen belangrijke oorzaken blijken te zijn van hechtingsproblemen. Er wordt te vaak gedacht dat hele jonge kinderen geen scheiding of verlies kunnen ervaren of er vanzelf overheen groeien. Dit blijkt niet te kloppen. Op dit moment wordt er onderzoek gedaan naar de stelling dat sommige gedragsstoornissen misschien als onderliggend probleem een hechtingsstoornis hebben. In het algemeen vertonen jongens ook hier meer acting-out gedrag en meisjes meer acting-in gedrag.

Er zijn zeven gedragspatronen, die ook in combinatie met elkaar kunnen voorkomen, waarmee kinderen met een hechtingsstoornis/ vorm van onveilige hechting zichzelf handhaven:

  • Het kind dat druk en chaotisch gedrag vertoont. Het wil zijn behoeften direct bevredigen, kan zich niet goed aan afspraken houden. Merkt dat de wereld geen begrip heeft voor zijn gedrag, maar slaagt er nauwelijks in het gedrag te veranderen.
  • Het kind dat agressief gedrag vertoont. Dit kind daagt iedereen voortdurend uit met zijn gedrag. Het is hiermee meer provocerend dan het drukke chaotische kind.
  • Het kind dat aangepast gedrag vertoont, maar het niet aangepast is (schijnaanpassing). Dit kind is lief en volgzaam naar anderen. Dit kind wil het iedereen naar de zin maken. Er is echter geen werkelijk diepgaand contact.
  • Het kind met “twee gezichten.” Thuis moeilijk te handhaven en op school voorbeeldig. Of andersom.
  • Het kind dat lichamelijke aanhankelijkheid zoekt. Dit kind gedraagt zich poeslief, het zoekt kleinkinderlijk de lichamelijke aanraking van mensen in de omgeving en is daarin onverzadigbaar.
  • Het teruggetrokken kind. Dit kind trekt zich terug uit de omgeving en vindt zichzelf waardeloos. Al de energie gaat zitten in het vermijden van contact en terugtrekking in isolement.
  • Het kind dat schijnbaar normaal is. Dit kind heeft vaak goede intellectuele mogelijkheden en lost alle problemen verstandelijk op. Sociale aansluiting is soms lastig.

Welke problemen hebben deze kinderen:

  • Deze kinderen hebben moeite met het vertrouwen van eigenlijk iedereen, zowel klasgenootjes als jou, de leerkracht.
  • Vaak ontbreken patronen van “normaal” gedrag, bijvoorbeeld hoe je omgaat met je lijf, met gevoelens, met anderen.
  • Vaak hebben deze kinderen gebrekkige sociale vaardigheden: ze zijn óf allemansvriendje óf erg dominant en eisend óf agressief of wantrouwend. Geen goede basis dus voor vriendschappen met andere kinderen.
  • De gebrekkige sociale vaardigheden ontstaan uit een zwakke sociale intuïtie. De kinderen voelen dus de sociale regels niet aan zoals andere kinderen dat wel doen. “Dat snap je nu toch wel” is een uitspraak die bij deze kinderen niet gaat zorgen voor beter sociaal gedrag.
  • Deze kinderen willen graag controle over hun omgeving, zodat ze nog een enigszins veilig gevoel hebben.
  • Deze kinderen voelen zich vaak waardeloos en hebben het gevoel nergens bij te horen.
  • Deze kinderen hebben nooit ervaren dat je jezelf aan regels kunt houden om een ander een goed gevoel te geven.
  • Door een gebrek aan lijn in hun leven, hebben ze moeite met structureren. Dit merk je in hun manier van werken, huiswerk maken, enz.
  • Deze kinderen hebben vaak moeite met het begrip “tijd.”
  • Er ontstaan vaak specifieke leerproblemen: weinig of geen getalbegrip en/of een slecht woordbeeld.
  • De leerstof blijft vaak niet hangen.
  • Ze falen vaak bij het maken van hun taken.
  • Soms hebben deze kinderen last van “schijndomheid.” In werkelijkheid is dit een uiting van hevige faalangst, passend bij hun ontzettend slechte zelfbeeld.
  • Deze kinderen hebben vaak weinig belangstelling voor leren, ze vertikken het soms om iets te doen aan school. Dat komt omdat ze in het “nu” leven. Als je nu geen zin hebt in die sommen, raffel je ze af. Dat je dan “later” moet verbeteren, komt niet eens in ze op.
  • De resultaten zullen dus wisselend zijn, afhankelijk van hoe hun pet staat. Dit hebben ze sterker dan andere kinderen.
  • Deze kinderen leven “op dit moment”, er is weinig verleden of toekomst in beeld. Daardoor leren ze dus ook moeilijk van gemaakte fouten.
  • Veel energie gaat op aan steeds alert zijn op wat er om hen heen gebeurt. Deze kinderen willen alles in de gaten houden.
  • Vaak gaat ook veel energie op aan het zich bewijzen in de groep d.m.v. clownesk en stoer gedrag.
  • Deze kinderen voelen zich snel aangevallen en verongelijkt. “De meester heeft de pik op mij.”
  • Hoewel de stemming van deze kinderen vaak als “vlak” wordt betiteld, kunnen ze last hebben van voor buitenstaanders plotselinge stemmingswisselingen. Die kunnen worden veroorzaakt door hele kleine gebeurtenissen (in jouw ogen dan). Voor het kind appelleren die gebeurtenissen dan aan het gevoel van onveiligheid. Een plotselinge afwijking in het lesrooster kan bijvoorbeeld zo’n gebeurtenis zijn.
  • Kinderen met hechtingsproblemen zijn vaak druk en beweeglijk en onrustig.
  • De aanval is volgens deze kinderen vaak de beste verdediging. En verdediging is in hun ogen vaak nodig.
hechtingsproblemen_gedragsproblemenindeklas

Welke sterke kanten hebben deze kinderen:

  • Ze maken makkelijk (oppervlakkig) contact met leeftijdgenoten.
  • Ze hebben veel (wisselende) vrienden en vriendinnen.
  • Ze zijn vaak goed in oppervlakkige contacten buitenshuis. Ze komen vriendelijk over.
  • Ze hebben vaak veel mensenkennis en taxatievermogen. Ze schatten anderen snel en goed in.
  • Het zijn vaak dominante kinderen, die leiderschap op zich kunnen nemen.

Wat kun je doen in je klas:

Als er sprake is van hechtingsproblemen en niet van een hechtingsstoornis, is het kind over het algemeen iets meer benaderbaar door jou als leerkracht. Je kunt dan proberen een vertrouwensrelatie op te bouwen. Dit doe je met alle kinderen, maar in dit geval zul je daar intensiever aan moeten werken voor je effect merkt. Wanneer je merkt dat het kind hier niet voor open staat, maar juist dwarser, brutaler of bozer wordt, is er mogelijk sprake van een hechtingsstoornis (Overigens kun je dat hiermee natuurlijk niet vaststellen). Je lokt door jouw poging “dichterbij” te komen dan juist de problematiek zoals die zich thuis ook voordoet uit. Je moet dus eigenlijk eerst via de ouders weten of er sprake is van een probleem of een stoornis. Als niemand daar het antwoord op heeft, kun je de aanpak “inzetten op relatie” volgen. Als je merkt dat het averechts werkt, zul je meer rustig-zakelijk met het kind moeten omgaan (Penninga- de Lange,2005). Op een rij gezet:

Sociaal emotioneel:

  • Nog meer dan bij andere kinderen, moet je zorgen dat dit kind zich veilig voelt in de klas.
  • Zorg dat het kind zich welkom voelt. Begroet het bij de deur, geef een hand.” Fijn dat je er bent.” (Overigens zou je dit bij alle kinderen moeten doen).
  • Zorg gedurende dag dat het kind zich “gezien” voelt. Maak eens oogcontact, geef een knipoog, enz. Je kunt ook laten merken dat je ziet wat het kind doet: “Ik zie dat je snel je boek voor je hebt, dat vind ik fijn. Zo kunnen we snel beginnen.”
  • Zorg voor veel positieve feedback en succeservaringen.
  • Het kind heeft véél aanmoediging nodig om zijn werk te doen.
  • Probeer een relatie met het kind op te bouwen, maar houd in je achterhoofd dat dit heel erg moeilijk is. Dat zo’n relatie moeizaam of niet tot stand komt, zit in het kind en betekent niet dat je faalt als leerkracht.
  • Pas op: een te intieme relatie zal het kind als bedreigend ervaren.
  • Probeer de pauzes voor te bespreken, zodat het kind weet met wie het kan gaan spelen. Dit voorkomt claimend, dwingen gedrag naar andere kinderen, omdat jij als leerkracht dit al geregeld hebt.
  • Laat merken dat je snapt wat het kind voelt (bijvoorbeeld bij conflicten) door die gevoelens te verwoorden. Zelf kunnen deze kinderen die gevoelens niet goed onder woorden brengen. Als het kind hoort dat het best bang, boos of verdrietig mag zijn, voelt het zich begrepen en kan de spanning van hem afvallen.
  • Vat de “aanvallen” van het kind niet persoonlijk op. Het is logisch dat hun gedrag soms negatieve gevoelens bij je oproept, maar probeer dit gedrag echt te zien als onvermogen en als angst afgewezen te worden en niet als aanval op jouw persoon.
  • Accepteer de emoties van het kind, maar niet elke uitingsvorm daarvan. “Ik snap dat je boos bent, maar ik vind het niet goed dat je op me scheldt.”
  • Als het kind liegt, ga dan geen ellenlange “verhoren” houden. Komt er geen antwoord of meer gelieg en gedraai, volg dan je gevoel. Zeg er iets over in de trant van “Jammer.” Doe geen beroep op wat het kind zou moeten kunnen. Opmerkingen als “Ik moet je toch kunnen vertrouwen,” kun je bij deze kinderen beter inslikken.

Structuur, regels en ruimte:

  • Besef dat deze kinderen zich niet gebonden voelen aan mensen en dus ook niet aan de regels die mensen afspreken of behoeften die anderen hebben.
  • Bied veel structuur: bijvoorbeeld door vaste duidelijke, zichtbare groepsregels.
  • Stel positieve eisen. “zit eens stil” is een negatieve eis. Een positieve eis is:  “Moeilijk he stilzitten? Zullen we samen proberen hoe je dit voor elkaar kunt krijgen?”
  • Zorg voor een vast zichtbaar dagprogramma en geef eventueel een individuele planner.
  • Zorg ook voor een overzichtelijke lokaal indeling, enz. Deze kinderen hebben nog meer behoefte aan structuur dan “gewone” kinderen.
  • Zorg dat je voorspelbaar bent. Doe wat je zegt en zeg wat je doet. Bij deze kinderen is “voor deze ene keer dan” geen goed idee.
  • Houd je dus zeer goed aan de regel afspraak is afspraak. Ook als je spijt hebt van die afspraak. Bij deze kinderen kun je niet terugkomen op een afspraak of voor “die ene keer” toegeven.
  • Zorg dat jij de baas bent. Deze kinderen hebben een leerkracht nodig, die vriendelijk doch beslist de lakens uitdeelt en daarover niet in discussie gaat.
  • Zeker in het begin zullen er confrontaties zijn. Het kind moet nog ontdekken dat je redelijke opdrachten geeft. Jouw taak is te zorgen om rustig en vriendelijk, maar wel beslist te blijven. Het kind test of je te vertrouwen bent.
  • Zet het kind dicht bij je, liefst met de rug naar een wand. Het kind hoeft zo niet angstvallig om zich heen te kijken en heeft overzicht. Voor kinderen met een groot wantrouwen geeft dit enigszins rust.
  • Probeer de dag altijd positief af te sluiten. “Fijn dat je morgen weer komt.”
imagesCA6GXES8

Leren:

  • Als het kind leerproblemen heeft, laat het dan niet helpen door een ander kind. Jij bent de leider van de klas.
  • Geef bij twijfel aan dat het kind zich geen zorgen hoeft te maken. Jij gaat het kind leren hoe het moet leren.
  • Deze kinderen zullen niet snel zelf om hulp komen als ze iets niet begrijpen. Let daar dus op en bied eventueel hulp aan.
  • Maak een dagplanning en houd je daaraan. Het kind raakt in paniek als er vanaf geweken wordt.
  • Kinderen met hechtingsproblemen hebben vaak een wisselvallige inzet: ze hebben dan ook behoefte aan véél aanmoediging.
  • Deze kinderen hebben een geringe taakspanning. Verdeel het werk in korte blokken (bijv. van 10 minuten) en laat ze daarna bij jou komen. Dan kun je ze meteen een compliment geven, aanmoedigen, enz.
  • Bied waar mogelijk visuele ondersteuning.
  • Stel lage eisen aan het kind, iets onder het eigenlijke niveau. Zo kan het kind succeservaringen opdoen.
  • Zich het hele jaar door inzetten, volhouden en afmaken vinden deze kinderen moeilijk.
  • Geef véél complimenten.
  • Vaak hebben deze kinderen een slecht getalbegrip, weinig ruimtelijk inzicht, problemen met hoofdrekenen en abstraheren.
  • Aardrijkskunde kan vaak goed gaan, maar topografie (ruimtelijk inzicht) kan een probleem zijn.
  • Bij geschiedenis zullen ze moeite hebben met de tijdlijn, ze hebben immers moeite met het begrip tijd.
  • Deze kinderen hebben vaak moeite met spelling: ze hebben een slecht woordbeeld.
  • Ze zijn goed in het navertellen van verhalen.
  • Vaak kunnen deze kinderen zich goed verbaal uiten en hebben ze een goed taalgevoel.
  • Het duurt langer voor zij zich de leerstof eigen maken. Vaak nemen ze de leerstof slechts fragmentarisch op. Herhaal veel en zorg dat er verband zit tussen de geleerde dingen.
  • Kinderen met hechtingsproblemen willen nog wel eens een irreëel beeld van hun eigen kunnen hebben. Ze overschatten hun  mogelijkheden op leergebied.

Straffen werkt niet goed. Belonen werkt beter:

  • Straf geven werkt vaak niet goed. Dit zien deze kinderen als wéér een teken van verwerping. Ze zullen nog sterker doorgaan. Alle pedagogische trucjes over belonen en straffen, werken waarschijnlijk niet. Deze kinderen willen de strijd altijd aangaan.
  • Negeren werkt doorgaans ook niet: op een keer zul je moeten reageren. Deze kinderen zullen doorgaan tot die grens.
  • Stuur het kind niet weg als het vervelend is. Dit zal waarschijnlijk averechts werken. Het kind voelt zich dan wederom “weggedaan” of ongewenst.
  • Dreig niet met straffen die je toch niet kunt (of wilt) waarmaken. Het kind zal daardoor juist het negatieve gedrag herhalen.
  • Als je tóch straft, want soms ontkom je daar in de praktijk niet aan, straf dan meteen. Op een later tijdstip weet het kind niet meer waar het aan toe is, het heeft immers problemen met het begrip tijd en heeft weinig structuur.
  • Straf zoveel mogelijk zonder emotie, vertel kort waarom je straft en wat je volgende keer liever voor gedrag zou zien. Ga niet in discussie.
  • Een beroep doen op het geweten, schuldgevoel of empathisch vermogen heeft weinig zin.
  • Als je het gedrag van het kind wilt veranderen, kun je het beste werken met een zichtbaar beloningssysteem. Gebruik bijv. een gedragskaart.

Contact met ouders:

In contact gaan met de ouders kun je beter niet via het kind doen. Benader de (pleeg- of adoptie-)ouders altijd zelf. Je kunt wel een heen-en-weerschrift gebruiken, maar onderhoud ook zeer frequent contact via gesprekken met de ouders. Het kind mag geen kans krijgen de beide partijen tegen elkaar uit te spelen. Ook willen kinderen nog wel eens “vergeten” de boodschap over te brengen. Kinderen met het “Geen -bodem-syndroom” gedragen zich thuis nogal eens anders dan op school (zie boven). Neem de verhalen van de ouders serieus, ook al klinken ze soms ongeloofwaardig.

Als je ouders meer informatie wilt geven, kun je ze onder andere verwijzen naar www.alshechtennietvanzelfgaat.nl of www.deknoop.org

Als je verdere hulp zoekt voor kind, ouders of jezelf, kijk dan bijvoorbeeld bij ZO!-zorgoplossingen.

Wil je zelf meer lezen? In mijn boeken vind je een uitgebreid hoofdstuk over problematische hechting. klik op de afbeelding van het gewenste boek om door te gaan naar bol.com

 

 

 

Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.