DCD

DCD (Developmental Coördination Disorder) of coördinatie-ontwikkelingsstoornis werd vroeger (ontwikkelings)dyspraxie genoemd. De stoornis is relatief onbekend en wordt vaak pas op de basisschool “ontdekt.” Men vermoedt dat  ongeveer 5% van de kinderen DCD heeft. Het komt drie tot zeven keer vaker voor bij jongens dan bij meisjes. De cijfers zijn niet heel betrouwbaar, omdat er geen eenduidige manier van diagnosticeren is.

Kinderen die DCD hebben, hebben moeite met het aanleren en uitvoeren van motorische taken, zoals zich aan- en uitkleden, fietsen, zwemmen, tekenen, knippen en schrijven. Handelingen die voor andere kinderen vanzelfsprekend zijn, vergen voor deze kinderen heel veel inspanning. De volledige criterialijst kun je terugvinden in de DSM IV-TR. Duidelijk is, dat als je een beetje onhandig bent, of niet zo goed kan voetballen, je nog geen DCD hebt. De symptomen variëren met de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Doordat DCD voor een deel een rijpingsprobleem van het centrale zenuwstelsel is, verminderen de problemen uiteindelijk wel wat. In de loop van de tijd worden de motorische vaardigheden beter, al kost het wel meer inspanning dan bij kinderen zonder DCD.

DCD heeft geen duidelijke oorzaak. Vaak is er een lichte afwijking op de NMR-scan te zien, maar ook dit hoeft niet zo te zijn. Vermoed wordt, dat het bewegingsplan bij deze kinderen niet goed is. Ze kunnen dan verschillende bewegingen niet integreren. De ziekte is alleen vast te stellen door te luisteren naar verhalen van het kind, de ouders, de leerkracht, enz. Vaak zie je dat deze kinderen niet goed een motorische taak kunnen aanleren. Het kost bijvoorbeeld heel veel moeite om te leren schrijven. Als je als leerkracht een vermoeden hebt, dat een kind motorisch erg slecht presteert, kun je de Movement ABC checklist  voor leerkrachten gebruiken om een indicatie te krijgen van de problemen. De lijst is slechts een gedeelte van het totale Movement ABC. Een leerkracht kan en mag geen DCD vaststellen. De volledige test, met motorisch onderzoek, kan worden afgenomen door een fysiotherapeut. Die vergelijkt  het kind ook met leeftijdgenoten, zo kan met behulp van deze test mede bepaald worden of er sprake is van DCD. Een aanvullend onderzoek om het algemene ontwikkelingsniveau te bepalen wordt meestal gedaan door een orthopedagoog of kinderpsycholoog.

DCD

Beslisschema voor diagnosticering DCD

Comorbiditeit (samen voorkomen)

DCD komt vaak voor in samenhang met ADHDPdd-nos, syndroom van Asperger of NLD. Dyslexie en dyscalculie komen regelmatig voor bij deze kinderen.

Waar merk je aan of een kind DCD heeft:

  • Er is een duidelijke vertraging in het bereiken van mijlpalen in de motorische ontwikkeling: zitten, kruipen, lopen kunnen ze vaak later dan andere kinderen.
  • Als je kijkt naar de grove motoriek is het kind eerder houterig dan soepel in zijn bewegingen.
  • Het kind heeft een slechter evenwichtsgevoel en valt sneller om.
  • Het kind is opvallend onhandig: laat vaak dingen vallen, stoot dingen om, enz,
  • Het kind heeft vaak moeite met de fijne motoriek. Veters strikken, knoopjes vastmaken, knippen met een schaar, kost veel moeite en lukt niet goed.
  • Vooral samengestelde motorische taken kosten veel moeite.
  • Het kind heeft soms moeite met motorische taken die ruimtelijk inzicht vergen. Bijv: figuren natekenen, je rekenschrift goed indelen, enz.
  • Moeite met de begrippen link en rechts.
  • Het kind heeft in het algemeen moeite met tempo van handelen.
  • De verwerking van leerstof verloopt vaak trager.
  • Door een zwak korte termijn geheugen, moeite met onthouden van nieuwe leerstof.
  • Het kind heeft een lage spierspanning.
  • Het kind heeft moeite om stil te zitten, is graag in beweging en wriemelt vaak met de handen.
  • Slecht handschrift, dat ook met veel oefenen nauwelijks beter wordt.
  • Het kind kan slecht in sport zijn.
  • Het kind leert moeilijk of niet fietsen.
  • De motoriek is duidelijk zwakker dan die van leeftijdgenootjes en is ook duidelijk zwakker dan je op grond van leeftijd en intelligentie mag verwachten.
  • Kinderen met DCD hebben ook vaak spraakproblemen: ze praten onduidelijk en hebben moeite met de uitspraak van woorden.
  • Stotteren komt regelmatig voor bij deze kinderen.
  • Moeite bij het overschrijven van teksten uit een boek of van het schoolbord.
  • Ordenen, is van toepassing bij veel ontwikkelingsaspecten. Zwakheid bij ordenen heeft effect bij spellen, schrijven, rekenen, vaardigheden met de grove en fijne motoriek, opvolgen van instructies en spelregels.
  • Denken. Hoewel ze een normale intelligentie hebben, kunnen deze kinderen problemen hebben met het plannen en organiseren van gedachten.
  • Kinderen met deze stoornis werken vaak veel trager dan andere kinderen.
  • Sommigen hebben moeite met concentratie en met het zien, horen en begrijpen van de dingen om hen heen.
  • Taalvaardigheid, herinneren van woorden, communicatieproblemen, kan zwak zijn of zich langzaam ontwikkelen.
  • Deze kinderen hebben weinig tijdbesef.
  • Emotionele onvolwassenheid.
  • Soms lukt het deze kinderen op school gewenst gedrag te vertonen, maar krijgen ze thuis driftbuien, doordat een schooldag te veel van ze vergt.
  • De problemen zijn zodanig ernstig, dat het kind er last van heeft in het dagelijks leven.
dys

Kinderen die DCD hebben, hebben dus moeite met het aanleren en uitvoeren van motorische taken, maar DCD kan zich echter wel op heel verschillende manieren openbaren. Zo zijn er kinderen die alleen moeite hebben met de fijne motoriek (knippen, schrijven, tekenen, enz.). Andere kinderen hebben alleen moeite met schrijven en een gedeelte van de grove motoriek. Weer anderen hebben moeite met organiseren van taken, hun tafel en kastje netjes houden, hun agenda goed invullen of met hun spraak, enz. Vaak is er echter sprake van een combinatie van problemen.

Als leerkracht is het misschien handig om te weten dat 30% tot 60% van de schooltaken motorische activiteiten vereisen. Activiteiten die door anderen vanzelfsprekend en zonder nadenken uitgevoerd kunnen worden. Voor kinderen met DCD vergen veel van die activiteiten wel (geestelijke) inspanning. Als deze kinderen met veel moeite een handeling aanleren, is transfer naar een andere situatie vaak het volgende probleem. In onze maatschappij speelt competitie een grote rol. Op school merk je dat bij bijvoorbeeld gym. Kinderen met DCD voldoen nooit aan het beeld van succesvol sporter. Het tegendeel is eerder het geval. Hun onhandigheid is slecht voor hun zelfbeeld. Wees alert op pestgedrag. Deze kinderen zijn sneller het mikpunt van pesterijen.

Overigens kun je als leerkracht de diagnose DCD natuurlijk niet stellen. Om DCD vast te kunnen stellen is observatie en onderzoek nodig van het kind, door bijvoorbeeld een revalidatie- of kinderarts, kinderfysiotherapeut of neuroloog. Voor observatie door een revalidatie-, kinderarts of neuroloog is een verwijzing nodig van de huisarts.

Wat kun je doen in je klas om deze kinderen te ondersteunen:

Zorg er vooral voor, dat het kind zich competent voelt. Het voortdurende falen op motorisch gebied, zal vrijwel zeker gevolgen hebben voor het zelfbeeld en dit niet in positieve zin. Geef veel complimenten.

Kinderen met DCD hebben er baat bij, als ze niet alles hoeven te schrijven. Je kunt eventueel het dagelijks werk gedeeltelijk als fotokopie geven, waarop ze alleen de antwoorden hoeven te schrijven. Een kind met DCD doet globaal gezien 66% van het werk in de tijd waarin de andere kinderen alles hebben gemaakt. Het kost deze kinderen wel veel meer inspanning. Zorg voor vaste routine, een vast dagritme;plotselinge veranderingen geven soms problemen voor deze kinderen.

  • Als er werk van het bord moet worden overgeschreven, geef het kind dan de uitgewerkte aantekeningen van jezelf of één van de kinderen.
  • Laat het kind schrijven met een stabilo pen.
  • Laat bij verbeteren alleen de echte fout verbeteren en niet de hele zin als dit niet strikt noodzakelijk is.
  • Schrijven kan soms pijn doen (verkramping). Beperk het daarom.
  • Leer het kind werken op de computer, daar kan het veel schrijftijd mee besparen. Het kan zijn dat een “gewone computermuis” voor dit kind niet werkt. Schaf dan een trackball aan.
  • Zet de no-repeatfunctie aan als het kind vaak teveel letters aanslaat (configuratiescherm-toegankelijkheidopties-tabblad toetsenbord- filtertoetsen- instellingen-herhaalde toetsaanslag negeren).
  • Een vergroot toetsenbord kan ook een goed hulpmiddel zijn.
Groot_toetsenbord_kleine_letters

Vergroot toetsenbord (Clevy)

Instructie:

  • De instructie kun je het best opdelen in kleine stapjes. Eén probleem per stap, want ordenen van opeenvolgende handelingen is vaak een probleem.
  • Probeer vaste routines aan te houden.
  • Heb geduld en maak gebruik van meerdere vormen om informatie aan te bieden, zodat verschillende zintuigen worden gebruikt.
  • Stimuleer het geheugen met veelvuldig herhalen tot dat wat al geleerd is, kan worden gereproduceerd.

De taak:

  • Als het kind een taak moet maken, controleer dan goed of het kind weet waarmee het moet beginnen. Laat hem dat herhalen.
  • Houd in de gaten of het kind op het goede spoor blijft. Omdat het niet kan ordenen kan het ineens met de verkeerde dingen aan de gang gaan.
  • Werk eventueel met behulp van een stappenplan (zie pagina autisme spectrum syndroom).
  • Geef het kind meer tijd voor de taak, pas de hoeveelheid werk eventueel aan.
  • Geef van te voren aan wanneer gestopt moet worden met een taak.”Nog vijf minuutjes en we gaan stoppen.”

Bij welke vakken hebben deze kinderen problemen:

(Aanvankelijk) lezen:

  • Het gebruik van de letterdoos kan problemen opleveren. Een magneetletterdoos kan uitkomst bieden. Ook een vilten antislipmatje kan een steun zijn. Een tafel met opstaande randjes, een dienblad o.i.d. kan helpen voorkomen dat de letters constant op de grond liggen.
  • Een afdekkaartje verschuiven kan problemen opleveren.
  • Het leren lezen zelf geeft problemen bij bijna 70% van deze kinderen.

Taal/Spelling:

  • De problemen bij spelling zijn voor een deel indirect: omdat het kind al zijn aandacht nodig heeft voor het inspannende schrijven, heeft het geen aandacht over voor de juiste schrijfwijze. Werken op de pc (eventueel met vergrote toetsen) kan uitkomst bieden.
  • Daarnaast heeft het moeilijk kunnen ordenen ook gevolgen voor het ontstaan van een goed woordbeeld.
  • Geef het kind eventueel meer tijd of beperk het te maken werk. Maak gebruik van invulbladen als het kan.
  • Laat bij een dictee eventueel alleen de woorden waar het om gaat opschrijven.

Rekenen:

  • De helft van de kinderen met DCD heeft visueel-ruimtelijke problemen. De sommen goed onder elkaar zetten, blokjes bekijken, figuren snappen, enz. geeft dus problemen.
  • De tafels leren gaat vaak trager.
  • Getalbegrip, verminderen of vermeerderen, berekingen toepassen, enz. kosten meer moeite.
  • Het gebruik van linaal, passer of gradenboog geeft problemen. Bekijk hun werk dus met de nodige tolerantie. Een “bijna” rechte lijn is al heel wat. Geef eventueel een liniaal met antislipstrookje. Een liniaal met handgreep is niet handig. Geef een platte liniaal, zodat hun hand erop kan steunen.
  • Een rekenschrift met extra grote ruitjes(wiskundeschrift) kan helpen om de cijfers beter onder elkaar te krijgen.
  • Soms is er een gebrek aan flexibiliteit in denken. Deze kinderen kunnen dan niet variëren in oplossingsmethoden.
  • Klokkijken: Sommige kinderen hebben ernstige moeilijkheden met plaatsbepaling in cirkelvormige volgorde. Gebruik daarom gedurende alle leerjaren vaste termen. Gebruik eventueel alleen een digitale klok voor deze kinderen.
  • Redactiesommen: Het gelijktijdig verwerken van meerdere gegevens, de volgorde bepalen van de rekenhandelingen is lastig voor deze kinderen. Geef stap voor stap uitleg.
  • Volgorde van bewerking onthouden kan problemen geven. Geef een ondersteuningskaartje.
moeilijk_schrijven

Schrijven:

  • Bij lezen leren kinderen de klankwaarde (foneem) en de letterwaarde (grafeem). Bij het schrijven komt daar het leren van een “motorisch plan” bij. Dit plan slaat het kind op in zijn geheugen. Eerst “tekent” het de letters. Na automatisering kan het kind de letters “schrijven”. Bij kinderen met DCD duurt dit veel langer dan bij andere kinderen.
  • Deze kinderen hebben baat bij veel oefenen. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld de letterpatronen van het voorbereidend schrijven.
  • De hoofdletters, die na de kleine letters aan bod komen, geven wéér moeilijkheden. Dat kan behoorlijk ontmoedigend zijn. Je kunt besluiten de hoofdletters (voorlopig) niet aan te leren.
  • Gebruik een schrift met liniatuur zoals in het schrijfschrift. De hulplijnen geven namelijk goede steun.
  • Soms kan een kruisje waar ze moeten beginnen hulp bieden.
  • De volgorde van werken kun je visueel maken door op de tafel een groene stip links te plakken en een rode stip rechts. Dat is de werkrichting.
  • Als het kind moeite heeft met ruimte tussen de woorden laten, leer ze dan die ruimte af te meten met hun vinger. “Sla één vingerbreedte over.”
  • Als het handschrift moeilijk leesbaar is, laat dan telkens een regel overslaan. Er is zo meteen ruimte om iets te verbeteren.
  • Na de vakantie zijn deze kinderen soms het “motorisch plan” weer vergeten. Het kan raadzaam zijn in de vakantie te blijven oefenen.
  • Lichaams- en zithouding is altijd belangrijk, maar bij deze kinderen kan het goed zitten een extra steun zijn. Recht voor het bord, goede verhouding tussen tafel en stoel. Knieën in een hoek van 90 graden, voeten plat op de grond, hoofd 20 tot 30 cm van de tafel, lichtgebogen. Deze kinderen mogen met hun buik tegen de tafel leunen voor extra steun. Let extra op zithouding en pengreep.
  • Pas schrijfmateriaal eventueel aan.

Aardrijkskunde:

Bij dit vak hebben deze kinderen wat extra hulp nodig. Hieronder een (niet volledig) lijstje met problemen waar ze tegenaan kunnen lopen.

  • Omdat veel kinderen met DCD ook problemen hebben met ruimtelijk inzicht, is de oriëntatie op de kaart of plattegrond vaak lastig. Probeer een vaste zoekwijze aan te leren; van linksboven naar rechts beneden, zoals bij het lezen van een bladzijde.
  • Reliëfkaarten en – voorstellingen geven dikwijls problemen.
  • Kaartlezen en schematische kaarten zijn heel lastig.
  • Oriëntatie op de windstreken a.d.h.v. een windroos en die dan overbrengen op de wereldbol, de begrippen lengte en breedte, kunnen allemaal veel problemen geven.
  • Gebruik maken van coördinaten geeft dezelfde problemen.

Tekenen en handvaardigheid:

Dat hier problemen ontstaan mag duidelijk zijn. Wees niet te kritisch over de resultaten. Kijk vooral naar inzet van het kind en stel geen onmogelijk hoge eisen. Geef zo mogelijk extra hulp.

Gym:

  • Uiteraard kost ook dit vak veel moeite. Oefeningen met snelle opeenvolgende bewegingen zijn waarschijnlijk te moeilijk.
  • Evenwichtsoefeningen kunnen het best onder begeleiding gedaan worden. Laat iemand meelopen en ondersteuning geven.
  • Reageren op een naderende bal, zal veel moeite kosten. De oog-handcoördinatie is namelijk niet goed.
  • Dwing geen oefeningen af en vereenvoudig de oefeningen eventueel.
  • Als het kind echt niet mee kan komen bij groepssportactiviteiten, laat het dan bijvoorbeeld scheidsrechter zijn.
  • Als het kind “gewoon” meedoet, laat dan de kinderen niet zelf de groepjes kiezen. Het is heel erg voor een kind om altijd als laatste gekozen te worden. Dat geldt overigens voor alle kinderen.
  • Voor en na gym: uit- en aankleden, wassen en douchen, schoenveters strikken, ritsen dichtmaken, knoopjes los of vastmaken, kunnen allemaal problemen geven.

Afnemen van toetsen:

  • Kinderen met DCD hebben vaak moeite met opnemen en ordenen van de vragen. Geef eventueel mondeling extra informatie.
  • Besluit indien nodig om de toets geheel mondeling af te nemen.
  • Geef eventueel aan hoeveel tijd ze ongeveer per vraag kunnen gebruiken of geef gewoon alle tijd die ze nodig hebben.
  • Probeer ook hier het schrijfwerk zoveel mogelijk te beperken. Het gaat immers om de antwoorden? Teveel schrijfwerk slokt alle aandacht op die eigenlijk naar het bedenken van de antwoorden moet gaan.
  • Houd goed in de gaten of de vragen goed zijn overgenomen door het kind.
  • Als het kind onleesbaar heeft geschreven, vraag dan of het kind wil vertellen wat er staat. Het slechte schrijven is geen onwil!

Huiswerk:

  • Als je moeite hebt met ordenen en informatieverwerken, kan huiswerk noteren ook een probleem zijn. controleer samen of het huiswerk goed in de agenda staat of laat een ander kind dat doen.
  • Controleer of het kind al het benodigde mee naar huis neemt.
  • Beperk eventueel het huiswerk als blijkt dat de hoeveelheid tot problemen leidt. Bedenk dat het geen onwil is van het kind.

Gevolgen:

  • Kinderen met DCD merken zelf heel goed dat ze op motorisch gebied ver achterlopen en niet kunnen wat andere kinderen wel kunnen. Dit zorgt vaak voor een heel laag zelfbeeld.
  • Ze voelen zich niet geaccepteerd door klasgenoten.
  • Ze worden vaak buitengesloten bij sport en spelactiviteiten in vrije momenten.
  • Deze kinderen trekken zich als reactie hierop vaak terug uit sociale situaties, waarschijnlijk uit angst weer te falen.
  • Andere kinderen  verbergen hun problemen met clownesk of agressief gedrag.
  • Er is grote kans dat deze kinderen gepest worden. Wees daar extra alert op.
  • Door alle problemen ontstaat er gemakkelijk een negatieve spiraal.
wp12c3d229_0f
Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.