Dyslexie

Dyslexie volgens de officiële definitie, geformuleerd door de Stichting Dyslexie Nederland:

“Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau.”

Dyslectici hebben, zelfs als ze extra hulp krijgen, moeite met foutloos en vlot leren lezen en spellen. Dyslexie heeft niets te maken met intelligentie. Ook kinderen met normale of hoge intelligentie kunnen dyslexie hebben. Wel is het zo, dat de schoolprestaties ver achterblijven bij het gemiddelde niveau. Dit ondanks alle extra moeite die deze kinderen doen.

Als aan de volgende twee criteria wordt voldaan, spreken we volgens de SDN van dyslexie:

  1. Het vaardigheidsniveau van lezen op woordniveau en/of spelling ligt significant onder hetgeen van het individu, gegeven diens leeftijd en omstandigheden, gevraagd wordt (criterium van de achterstand)
  2. Het probleem in het aanleren en toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau blijft bestaan, ook wanneer voorzien wordt in adequate remediërende instructie en oefening (criterium van de didactische resistentie).

Er is sprake van didactische resistentie als gedurende een half jaar, tenminste drie keer per week 20 minuten intensief geoefend is met een kind en er niet voldoende vooruitgang geboekt wordt.

dyslexie_gedragsproblemen_in_de_klas

Een aantal signalen kunnen wijzen op dyslexie:

In groep 1 en 2

  • Het kind heeft dyslectische ouders, broertjes of zusjes.
  • Het kind heeft moeite met het benoemen van kleuren.
  • Het kind heeft moeite met luisteren en opvolgen van aanwijzingen.
  • Het kind heeft moeite met klankverwerving.
  • Het kind heeft moeite met analyse en synthese.
  • Het kind heeft vaak woordvindingsproblemen.
  • Het kind heeft vaak moeite met de articulatie.
  • Het kind heeft moeite met het maken van goede zinnen of heeft een kleine woordenschat.
  • Het kind heeft moeite met letter-klank koppelingen.
  • Het kind heeft moeite met het onthouden van de volgorde van de letters in een woord.
  • Het kind heeft moeite de letters van de eigen naam te onthouden.
  • Het kind kent aan het einde van groep 2 minder letters dan de gemiddelde 12 á 15.

Door middel van een observatie kun je bekijken of het kind voldoet aan de voorwaarden die nodig zijn om te (gaan) leren lezen.

Observatie groep 1: Belangrijke observatiepunten in groep 1 zijn boekoriëntatie en verhaalbegrip.

Bij boekoriëntatie kijk je bijvoorbeeld of de kleuter begrijpt dat illustraties en tekst samen een verhaal vertellen, weet dat een boek van voor naar achteren gelezen wordt en dat je vragen over een boek kunt stellen.

Bij verhaalbegrip kijk je of een kleuter de ‘taal’ van voorleesboeken begrijpt. Kent het bijvoorbeeld de opbouw van een verhaal, kan het halverwege het verhaal voorspellingen doen over het verdere verloop, kan het kind het verhaal navertellen of naspelen?

Observatie groep 2: In groep 2 zijn taalbewustzijn en letterkennis belangrijke observatiepunten.

Bij taalbewustzijn gaat het bijvoorbeeld om de vraag of het kind woorden in klankgroepen kan verdelen (kin-der-wa-gen), of het eindrijm (pan rijmt op Jan) en beginrijm kan herkennen en toepassen (Kees en Kim beginnen allebei met een ‘k’) en of het woorden in fonemen kan verdelen (v-i-s).

Bij letterkennis gaat het erom of een kind de letter kan herkennen, benoemen en de koppeling tussen een klank en letter kan maken (bijvoorbeeld bij schrijven of stempelen). Verder kun je kijken of het kind belangstelling voor boeken of briefjes toont. Voor kleuters met een vergroot risico op dyslexie (door achterblijvende taalontwikkeling en/of dyslexie in de familie) is het goed om eind groep 2 zoveel mogelijk letters te kennen. Je kunt hiervoor en voor een verdere observatie de Signaleringslijst voor Kleuters van Masterplan dyslexie gebruiken.

Vanaf groep 3 en 4: het (aanvankelijk) leesproces verloopt niet goed

  • Het kind lijkt slim genoeg, maar verwerft geen goede leesvaardigheid.
  • Het kind kent nog steeds de letters van het alfabet niet in groep 3.
  • Het kind heeft veel moeite met de dagen van de week, met kleuren en reeksen cijfers.
  • Het kind scoort in groep 3 onvoldoende op de herfstsignaleringstoets.
  • Het kind leest begin groep 4 nog op AVI 0 of AVI M3( frustratie) niveau.
  • Er zijn problemen op het gebied van fonologisch bewustzijn (bijvoorbeeld niet kunnen rijmen).
  • Het kind heeft moeite met de letter- klankkoppeling (omkeringen zoals eu/ue ui/iu, verwisselen b en d, niet uit elkaar houden m en n, moeite met eu en ui, enz.).
  • Hakken en plakken verloopt traag of foutief.
  • Het kind kan niet aangeven waar een bepaalde klank zich in het woord bevindt.
  • Hersynthetiseren van een woord als een bepaalde klank wordt  toegeovegd of weggelaten lukt niet.
  • Het kind herkent “bekende” woordjes niet.
  • Het kind vermijdt hardop lezen.
  • Het kind aarzelt en raadt op basis van de eerste letter of via de context,
  • Het kind heeft moeite met uitleggen van dingen die het wel weet.
  • Op leestesten scoort het kind onvoldoende.
  • Het kind maakt geen “andere” fouten, maar méér fouten.
  • Het kind voegt letters of woorden toe of vergeet letters of woorden
  • Het kind schrijft onregelmatig, niet vloeiend.
  • Het kind zet letters in de verkeerde volgorde (dorp in plaats van drop).
  • Overschrijven van woorden kost veel inspanning en lukt maar moeizaam of helemaal niet.
  • In een geschreven tekst schrijft het kind hetzelfde woord telkens anders.
  • Het kind heeft last van hardnekkige fouten.
  • Het kind schrijft woorden zoals ze klinken.
  • Bij een kind met zwakke ruimtelijke vaardigheden zijn zuivere taal- en communicatieopdrachten vaak beter.
  • Bij een kind met zwakke taalvaardigheden is het wiskundig (ruimtelijk) inzicht vaak goed ontwikkeld.
  • Woorden aan elkaar schrijven of juist van 1 woord 2 woorden maken (deboom, zater dag).
  • Het kind maakt fouten die je niet meer verwacht.
  • Het kind maakt veel kleine vergissingen.
  • Het kind leest woorden die er niet staan, maar ongeveer hetzelfde betekenen: bijvoorbeeld poes i.p.v. kat.

Vanaf groep 3 en 4: het (aanvankelijk) spellen verloopt niet goed

  • Het kind loopt later (ook) vast bij Engels of andere vreemde talen.
  • Het kind schrijft onregelmatig, niet vloeiend.Het kind zet letters in de verkeerde volgorde (dorp in plaats van drop). Overschrijven van woorden kost veel inspanning en lukt maar moeizaam of helemaal niet.
  • In een geschreven tekst schrijft het kind hetzelfde woord telkens anders.
  • Het kind heeft last van hardnekkige fouten.
  • Het kind schrijft woorden zoals ze klinken.
  • Bij een kind met zwakke ruimtelijke vaardigheden zijn zuivere taal- en communicatieopdrachten vaak beter.
  • Bij een kind met zwakke taalvaardigheden is het wiskundig (ruimtelijk) inzicht vaak goed ontwikkeld.
  • Woorden aan elkaar schrijven of juist van 1 woord 2 woorden maken (deboom, zater dag).
  • Het kind maakt fouten die je niet meer verwacht.
  • Het kind maakt veel kleine vergissingen.
  • Het kind loopt later (ook) vast bij Engels of andere vreemde talen.

De problemen blijken hardnekkig. Wat nu?

Als deze problemen hardnekkig blijken te zijn en niet verdwijnen met extra hulp, kunnen het indicatoren zijn voor dyslexie. Dat hoeft natuurlijk niet, bovendien mag je als leerkracht geen dyslexie vaststellen. Wel is het zaak een vermoeden van dyslexie zo snel mogelijk te bespreken.

Eventueel kan de dyslexie screeningtest worden afgenomen. Hiermee kun je vast stellen of het risico op dyslexie hoog is. De test is door de COTAN als voldoende gekwalificeerd. Je kunt er echter geen dyslexie mee vaststellen: het is geen diagnosticerend intrument!

screening_dyslexie

Wijst de DST uit, dat het risico op dyslexie hoog is, dan kan men door het afnemen van het FIK-2 onderzoek het verloop van het leesproces bij het kind nagaan.

FIK-2 doet onderzoek naar:

F = fonologische verwerking

I = intelligentie

= de verworven kennis

= toepassen van de kennis

= werkhouding

Het onderzoek kent dus eigenlijk de afkorting FIKTW en daar heeft men FIK-2 van gemaakt. Bij dit onderzoek wordt gewerkt vanuit de volgende vraagstelling:

  • Wat doet dit kind, waardoor het vlot lezen niet lukt?
  • Waar hapert het proces en waardoor?
  • Waar treedt desoriëntatie op en van welke aard?
  • Welke functies zijn zwak en wat is het gevolg?

Het is een uitgebreid didactisch onderzoek, waarbij een vragenlijst voor de leerkracht een belangrijk onderdeel is. Als het FIK-2 onderzoek is afgenomen, zijn er voldoende onderzoeksgegevens bekend om een handelingsplan op te stellen, passend bij de problematiek van het kind. Ook FIK-2 kan door de IB-er worden afgenomen. Alleen een orthopedagoog mag echter een dyslexieverklaring afgeven!

dyslexie

Comorbiditeit:

Het komt nog al eens voor dat kinderen met dyslexie ook AD(H)D hebben. We spreken dan van comorbiditeit (samengaan) met een andere stoornis.Ongeveer 25% van de kinderen met dyslexie heeft ook AD(H)D. Omgekeerd heeft trouwens 50% van de kinderen met AD(H)D dyslexie. Ook komt het vrij vaak voor dat kinderen met dyslexie DCD  of dyscalculie of een spraak- taalstoornis hebben.

Bijkomende problemen

Een aantal andere (bijkomende) problemen die kinderen met dyslexie kunnen hebben, zijn:

  • Moeite met automatiseren. Dit merk je tijdens een rekenles.
  • Het omdraaien van getallen: 13=31.
  • Ook tijdens een gymles, waar een aantal bewegingen ingeoefend worden, kun je het automatiseringsprobleem merken. Ook motorische automatisering is namelijk een probleem.
  • Een kind met dyslexie heeft een zwakker korte termijn geheugen en een beperkter werkgeheugen. Een kind zonder deze beperking kan 7 á 8 dingen onthouden uit een reeks, een kind met dyslexie 4 á 5. Dat merk je bijvoorbeeld met feiten leren bij aardrijkskunde of geschiedenis.
  • Moeite met het uitvoeren van complexe taken.
  • Ze kunnen moeilijk de hoofdzaken en bijzaken onderscheiden in informatieve teksten.
  • Deze kinderen vallen uit op visueel-ruimtelijk vlak. Dit merk je bijvoorbeeld met schrijven (langer spiegelschrift schrijven).
  • Deze kinderen kunnen moeilijk meer dan 1 ding tegelijk doen.

Gedrag:

Het is heel goed mogelijk dat het kind door het (voortdurend) falen ander gedrag gaat vertonen. Het wordt vaak onderschat hoeveel impact het niet kunnen leren lezen heeft op een kind. Een kind in groep 3 dat dyslexie heeft zien dat alle andere kinderen wel leren lezen. Ze gaan zich ontzettend dom voelen. Wees daar als leerkracht op bedacht. Praat veel met het kind. Onderstaande gedragingen kunnen signalen zijn van lees- of  andere leerproblemen.

  • Het kind klaagt over buikpijn en hoofdpijn.
  • Het kind wil niet meer zo graag (of helemaal niet) naar school.
  • Het kind komt niet langer opgewekt thuis uit school.
  • Het kind gaat verschijnselen van faalangst vertonen.
  • Het kind gaat in de klas echt probleemgedrag vertonen: het kind wordt opstandig, brutaal en/of vertoont clownesk gedrag.

Wanneer begin ik met hulp aan kinderen die dyslectisch zijn?

Hoe eerder hoe beter, dus liever al iets doen in groep 1 en 2, dan in groep 3. Onderzoek heeft uitgewezen dat hoe eerder er interventie plaats vindt, hoe groter de kans op succes. Als ouders zich dus zorgen maken, is het zaak dat meteen serieus te nemen. Start eventueel met een ondersteunend programma voor het kind.

Het eventuele interventieprogramma moet:

  • Vroeg beginnen (dus in groep 1, 2 of 3).
  • Intensief zijn (denk aan 15 tot 30 minuten per dag).
  • Voldoende lang duren.
  • Gericht zijn op duidelijke doelen.
  • Liefst motiverend zijn voor het kind.

dyslexie1_gedragsproblemen_in_de_klas

Aanpak voor risicolezers in groep 3

Volg de risicolezers goed. In groep 3 heb je de volgende toetsmomenten*: rond de herfstvakantie, rond februari, eind maart en mei/juni. Elk moment kan het startpunt zijn van  extra begeleiding. Let op: risicolezers hoeven geen dyslexie te hebben!

Als de taal- leesontwikkeling van het kind in groep 3 achterblijft, kun je ingrijpen (interventie) met extra begeleiding en oefening. Volgens het protocol moet er dan ook een handelingsplan opgesteld worden. Voor zwakke lezers is het uiterst belangrijk om zoveel mogelijk te lezen. Zij moeten veel extra leeskilometers maken. Per week moeten zij een uur extra leestijd hebben, verdeeld in bijvoorbeeld 3 keer 20 minuten. Daarnaast is het belangrijk om veel aan begrijpend luisteren te doen. Dit is de basis voor later leessucces. Begrijpend luisteren kun je spelenderwijs inpassen als je interactief gaat voorlezen. Het verhoogt bovendien de leesbeleving. De leesbeleving is een onderschatte factor. Lezen moet leuk zijn!

Recent onderzoek (Steenbeek-Planting,E. 2012) heeft ons geleerd dat je met zwakke lezers die het niveau E3 nog niet behaald hebben, vooral moet oefenen door (herhaald) te lezen wat goed ging en NIET te oefenen op wat fout ging. dit is voor veel leerkrachten verrassend nieuws. Wil je alle shierover lezen, klik op de link.

Kinderen die moeite hebben met lezen vallen uiteen in twee groepen: spellende lezers (DMT goed, AVI onvoldoende) en radende lezers (DMT onvoldoende, AVI goed). Zij behoeven ieder een andere aanpak.

Aanpak bij spellende lezers:

Bij spellende lezers wordt onderscheid gemaakt tussen:

  1. leerlingen die lang blijven spellen en veel fouten maken Bij de groep leerlingen die lang spellend leest maar ook nog veel fouten maakt, ligt de nadruk op het aanleren van letters. Eventueel kunnen deze kinderen een persoonlijk lettergroeiboek ontwerpen.
  2. Leerlingen die lang blijven spellen, maar nauwelijks fouten maken Bij leerlingen die lang spellend blijven lezen maar weinig fouten maken, ligt de nadruk op snelheid. Dit kan bijvoorbeeld geoefend worden met losse flitskaartjes of een computergestuurd flitsprogramma. Bij losse flitskaartjes worden moeilijke woorden op een kaartje geschreven en geprobeerd om deze na veel oefening steeds sneller te lezen. Voor kinderen die erg gespannen zijn is de flitsmethode minder geschikt. Wellicht kunnen zijn beter met wissel- of structuurrijtjes werken.

Aanpak bij radende lezers:

Bij radende lezers ligt de nadruk op het langzamer, maar nauwkeuriger leren lezen. Dit kan bevorderd worden door met de vinger te laten bijwijzen, moeilijke letters of lettercombinaties in de tekst te laten accentueren of met boekje en audiobandje tegelijk te laten lezen. De radende lezers zullen het tempo pas mogen opvoeren als alle letters bekend zijn. Ze moeten het tempo stap-voor-stap leren opvoeren, om niet weer in de fout van  radend lezen te trappen.

Als ondanks de extra hulp geen verbetering optreedt, kan er dus sprake zijn van dyslexie. Maar als er dylexie vermoed wordt, wat doe je dan in je groep? Sinds een aantal jaren kennen we in Nederland een Protocol Leesproblemen en Dyslexie, hierin staan observatielijsten en te volgen protocollen.Voor groep 1 en 2 kun je dit  werkdocumenten van dit stappenplan hier downloaden. Voor groep 4 t/m 8 kun je de werkdocumenten van dit stappenplan hier downloaden. Het protocol zelf is op elke basisschool aanwezig.

dyslexiegedragsproblemenindeklas1(1)

Hoe help je het kind in de dagelijkse praktijk:

  • Verleng de leertijd voor het kind. Reken op 20 minuten extra per dag, liefst elke dag, maar minimaal 3 keer in de week.
  • Houd het kind zo lang mogelijk bij de groep. Ga niet over op een apart programma. Deze kinderen hebben vooral méér tijd nodig.
  • Activeer het leergedrag. Motiveer het kind om de aandacht op de taak te richten.
  • Verkort taken voor het kind; het heeft immers veel meer moeite met de stof dan anderen?
  • Laat het kind niet teveel (over)schrijven, dit kost teveel tijd en inspanning, die beter voor het eigenlijke leerproces gebruikt kan worden.
  • Zorg voor veel succeservaringen.
  • Als het kind een verhaal moet schrijven, stimuleer het dan om korte zinnen te maken.
  • Ga genuanceerd om met fouten.
  • Zet de leerstof op een mp3 speler of op de computer. Horen en meelezen, helpt goed.
  • Laat het kind niet het eigen taalwerk nakijken, het herkent immers de fouten niet. als het kind toch nakijkt, omdat het zo minder opvalt, val dan niet over de fouten die nog in het werk zitten.
  • Geef veel positieve feedback; dyslectisch zijn knaagt al genoeg aan je zelfvertrouwen.
  • Gebruik veel visuele ondersteuning.
  • Maak gebruik van auditieve en sensomotorische kanalen.
  • Herhaal veel.
  • Laat het kind een opdracht 2 keer lezen en daarna navertellen.
  • Laat het kind niet hardop voorlezen in de klas, tenzij het dat zelf graag wil.
  • Gebruik liever geen multiple choicevragen, vooral niet als de antwoorden bijna identiek lijken.
  • Overhoor mondeling, het kind kan zich dan op de leerstof concentreren i.p.v. op de spelling en het lezen.
  • Geef extra tijd.
  • Laat de spelling niet meetellen bij andere vakken.
  • Oefen alleen de woorden die in het dictee terugkomen.
  • Geef het kind de spellingsregels op een kaartje, zodat het kan kijken. Automatiseren van de regels lukt immers vaak niet.
  • Pas de lay-out van teksten aan. Soms helpt vergroten, geel papier, enz. Overleg dit met het kind.
  • Laat werkstukken en/of ander werk op de computer maken.
  • Zorg bij wereldoriëntatie voor ingesproken boeken.
  • Zorg voor “makkelijk lezen”-boeken uit de bibliotheek.
  • Zet ICT in (webbrowsers die voorgelezen worden, zoals Browse aloud, softwareprogramma’s zoals Leesladder, Schatkist met de muis, enz., overhoorprogramma’s zoals WRTS, enz.).
  • Zet andere technologische middelen in zoals Iris Pen, Daisy-speler, Kurzweil, enz.).
  • Gebruik gesproken CITO toetsen.
  • Investeer in goede contacten met de ouders. Schakel de ouders in om thuis te lezen met het kind.

Wat is een “goed opgebouwde” instructie voor zwakke lezers?

  • Zorgvuldige opbouw, zodat de vaardigheden die nodig zijn, stap voor stap kunnen worden opgebouwd.
  • Een dialoog tussen leerling en leerkracht waardoor het kind ziet en hoort welke proces- of denkvaardigheden er nodig zijn om de taak succesvol uit te voeren. De leerkracht doet dus hardop voor hoe het denkproces verloopt.
  • Heel veel herhalen en kleine stapjes nemen.
  • Maak de instructie zo concreet mogelijk. Hoe meer met de werkelijkheid verbonden en visueel gemaakt, hoe beter het te onthouden is. Plaatjes van letters en leestekens of gebaren kunnen dus bijdragen aan het makkelijker leren.
  • Vanwege de enorme inspanning die deze kinderen moeten doen, is het nog belangrijker dan bij andere kinderen om te zorgen voor optimale mogelijkheden voor concentratie.
  • Zorg voor veel herhaling en werk concentrisch.

poster14

Nogmaals, stagnerende lezers krijgen door hun faalervaringen met lezen dikwijls sociaal emotionele problemen of gedragsproblemen, omdat hun zelfvertrouwen en uiteindelijk hun zelfbeeld wordt aangetast. Om deze reden is het niet handig alle zwakke lezers in één groepje te stoppen. Het is niet motiverend om naar het gehakkel van een ander te luisteren, zelfs niet als je bij een fout op tafel mag tikken. Bovendien voelen deze kinderen zich het groepje “losers.” Een gemengde groep is beter. Dit noem je convergente differentiatie. De kinderen blijven dus “bij de groep.” Goed voorbeeld doet vaak goed volgen. Het van groot belang om tijdens de instructie vooral deze kinderen aan te moedigen en veel positieve feedback te geven.Leerkracht vaardigheden

Daarnaast moet je als leerkracht over de volgende kennis en vaardigheden beschikken, wil je (mogelijke) dyslexie kunnen herkennen en een succesvol interventieprogramma kunnen uitvoeren:

  • Inzicht hebben in het normale lees- en spellingsproces.
  • Onderkennen dat lees- en spellingproblemen ernstige handicaps zijn en er van overtuigd zijn dat vroegtijdige onderkenning en aanpak groot verschil kan maken in succes.
  • Vaardigheid hebben in het opsporen en begeleiden van lees- en spellingproblemen (met speciale aandacht voor spraak/taal-ontwikkeling, fonemisch bewustzijn, snel kunnen benoemen van letters).
  • Een positieve houding hebben tegenover het nauwgezet volgen van de ontwikkeling van de (beginnende) geletterheid bij kinderen.
  • Bereid zijn om regelmatig met ouders te overleggen over de aanpak en ouders in staat te stellen om mee te helpen als zij dat wensen.
  • In staat zijn om het kind vertrouwen te geven en niet snel ontmoedigd raken bij uitblijven van succes.

Daarnaast zijn er een aantal niet te onderschatten algemene “maatregelen” die je kunt (moet) gebruiken.

  • Lees elke dag voor. De kinderen leren zo intonatie, nieuwe woorden en verhaal opbouw. Bovendien merken ze dat lezen leuk is.
  • Zorg voor een rijk aanbod aan teksten. Lees ook eens informatieve teksten, gedichten, kranten, enz.
  • Zorg dat lees- en schrijf opdrachten betekenisvol en functioneel zijn.
  • Laat kinderen regelmatig samenwerken aan teksten. Zorg wel dat het niveauverschil bij samen lezen niet te groot is, anders wekt dit frustratie in de hand. Een vaste leeshulp die voor zwakke lezers moeilijke woorden  uitlegt kan handig zijn.
  • Zorg voor stillees momenten. Ook de leerkracht moet dan lezen en geen schriften nakijken. Zo laat je zien dat lezen leuk en waardevol is.
  • Laat kinderen die dat willen voorlezen. Dat kan aan je eigen klas zijn, maar soms ook aan lagere klassen. Zelfs zwakkere lezers vinden dit vaak geweldig om te doen.
  • Praat samen over gelezen boeken en over gemaakt schrijfwerk. Handig om bij praten over boeken te gebruiken is het vragenspel van Chambers.

Vastleggen van de hulp:

Als een kind tot de risicolezers behoort en het leesproces stagneert, moet je als leerkracht goed gaan vastleggen wat er voor hulp geboden wordt. Om vast te stellen of het kind uiteindelijk dyslectisch blijkt, is er een leerlingdossier dylexie nodig. Zonder deze verslaglegging doe je het kind dus ernstig tekort, omdat er geen dyslexieverklaring zal worden afgegeven als niet voldoende is vastgelegd wat er is gedaan om het kind te helpen.

  • Je moet gaan werken met handelingsplannen van (meestal) 6 weken. Hierin moet je vermelden wat je specifieke aanpak wordt. Wat wordt hoe gedaan, wanneer, hoe vaak en hoe lang, door wie en waar.
  • Er wordt steeds gekeken of de geplande doelen gehaald zijn. Eventueel wordt het plan bijgesteld of worden er nieuwe doelen bepaald.
  • De ouders moeten op de hoogte worden gesteld van het plan. Bespreek het dus samen met hen. Veel scholen laten de plannen ondertekenen door de ouders.
  • Vermeld in je HP welk niveau het kind nu heeft, welk niveau het aan het eind van de periode zal hebben, welke maatregelen je neemt en wie er ondersteunt (zie punt 1).
  • Zorg dat alle toetsresultaten ook in het dossier komen. Zowel spellingtoetsen, DMT en AVI toetsen en/of leestempo toetsen moeten in het dossier zitten.
  • De school mag zelf geen dyslexie vaststellen, maar aan de hand van een goed dossier kan wel doorverwezen worden naar een erkend gedragswetenschapper in de gezondheidszorg, zoals een GZ- psycholoog, kinder- en jeugdpsycholoog of orthopedagoog met een NVO-registratie Generalist.
  • Als er eventueel dyslexie wordt vastgesteld, moeten behandelaar en leerkracht/ IB-er samen werken aan de begeleiding. Ook dit moet in overleg met allepartijen, anders is het effect veel minder.

Slechte spellers:

Het kan natuurlijk ook zijn, dat de problemen van het kind zich vooral voordoen op het vlak van spelling. In groep 3 is spelling een geïntegreerd onderdeel van het leren lezen. In de groepen 4 t/m 8 wordt spelling meestal een onderdeel van de taalmethode. Per week zijn er dan meestal 3 lessen spelling. Het is voor alle kinderen, maar zeker voor de zwakke spellers goed als er daarnaast elke dag bijvoorbeeld tien minuten geoefend wordt met het nieuwe spellingprobleem. Eventueel kun je de dag ook beginnen met een kort dictee van vijf woorden, die gaan over het vorige of huidige pakket.

Een goede instructie: voor de zwakke spellers  en kinderen met dyslexie geldt dit natuurlijk het meest: de instructie moet goed zijn. Het directe instructiemodel  blijkt een goed en effectief model om mee te werken.

Kenmerken goede instructie:

  • De instructie is gericht op toepassen van regels en strategieën.
  • De leerkracht doet hardop voor: hij denkt hardop en stapsgewijs.
  • Na de algemene uitleg komen de risico spellers bij de instructie tafel. De algemene uitleg gaat meestal te snel voor hen. In kleine(re) stapjes wordt de instructie herhaald.
  • Stel vast of de kinderen deze stapjes echt begrijpen. Vraag door en laat ze voorbeelden geven.
  • Als de kinderen een stapje begrijpen, verhoog je de moeilijkheidsgraad pas.

Schrijven:

Het komt nog al eens voor dat kinderen met dyslexie niet goed aan elkaar kunnen schrijven. Nu wil het toeval, dat op de meeste basisscholen  kinderen  verplicht aan elkaar moeten schrijven. Dat komt omdat je zo uiteindelijk sneller en vloeiender kunt schrijven. Vlot en vloeiend schrijven is een doel. Als dit doel niet haalbaar is, moet je de middelen aanpassen. “Los” schrijven dus. Vaak verbetert het handschrift dan enigszins.

Een methode die je daarvoor zou kunnen gebruiken is “Schrijven leer je zo” in het volgende artikel wordt alvast uitgelegd waarom blokschrift handig kan zijn.

Inzetten van de ouders:

Omdat een kind op den duur vastloopt met alle andere vakken, is het van het grootste belang het lezen op alle fronten aan te pakken. Extra hulp op school, maar zeker ook thuis. De meeste ouders willen maar wat graag helpen, als de leerkracht zorgt dat zij goede hulp kunnen geven. In de praktijk beperkt die “hulp” van de leerkracht aan ouders zich vaak tot “Laat hem vooral veel lezen na schooltijd.” Maar dat is nu juist het probleem. Vaak worden de ouders dan opgezadeld met een huis vol herrie van een onwillig kind. Probeer daarom een gestructureerd duidelijk plan te maken, dat alle partijen begrijpen.

  • Spreek om te beginnen af wanneer het overleg plaatsvindt. Er is regelmatig overleg nodig. Plan dit dus samen in.
  • Zorg dat ook het kind hoort van de leerkracht waarom het extra moet oefenen. Dat kan thuis problemen schelen.
  • Bekijk wat voor oefeningen er thuis gedaan kunnen worden. Vaak kun je de site van de leesmethode hiervoor benutten.
  • Probeer ook speelse oefeningen te bedenken en oefeningen die op de dagelijkse situatie aansluiten. Dan merkt het kind dat lezen nut heeft. Laat het kind bijvoorbeeld het boodschappenlijstje opschrijven, de kaart aan oma, enz.
  • Probeer met de ouders te overleggen of ze vaak kunnen voorlezen. Het kind leest dan mee.
  • Als het kind vertikt om te lezen, probeer dan in ieder geval wel voor te lezen, waarbij het kind mee leest.
  • Als je adviseert om de ouders met het kind te laten lezen, doe dan meer dan alleen dát. Vertel welk boek ze kunnen gebruiken of kijk samen op  www.makkelijklezenplein.nl. Daar staan ook heel veel tips waar zij wat aan kunnen hebben.
  • Geef dictees van te voren mee naar huis, laat het kind er vast mee oefenen.
  • Adviseer de ouders om elke dag 10 minuten met het kind te lezen, ook in vakanties.
lezen_gedragsproblemenindeklas_nl
Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.