Angststoornissen en depressie

In de DSM 5 worden een aantal verschillende angststoornissen onderscheiden. Onder andere: sociale fobie, selectief mutisme, gegeneraliseerde angststoornis, specifieke fobie, separatieangststoornis, paniekstoornis, obsessief compulsieve stoornis en post traumatische stress stoornis. Angststoornissen zijn niet leeftijdsafhankelijk. Wel ontstaan sommige stoornissen al voor of tijdens de basisschoolleeftijd. Sommige stoornissen komen vaker voor met andere stoornissen. Zo komt de angststoornis vaak voor bij ADHD en ODD.

imagesCATR3TOL

Onzichtbaar of niet?

In elke klas zitten kinderen waarmee niets aan de hand lijkt, de leerkracht heeft geen last van ze, ze zijn niet lastig of opstandig. Andere kinderen hebben ook geen problemen met hen. Het zijn kinderen met een “verborgen problematiek.” Zij lijden aan een internaliserende stoornis.  Er is wel degelijk iets aan de hand met deze kinderen, maar in tegenstelling tot kinderen met een meer externaliserend probleem, merken deze kinderen vooral zelf dat het niet goed gaat met ze. De signalen die ze uitzenden zijn moeilijk op te vangen en complex. Het zijn piekeraars, tobbers en slechte slapers. En heel soms zijn ze boos en agressief (en dus wel externaliserend). Het zijn kinderen met angstgevoelens of met depressieve klachten. Angststoornissen zijn de meest voorkomende stoornissen bij kinderen.

Als deze kinderen al laten merken dat ze deze klachten hebben, willen leerkrachten ze nogal eens bagatelliseren en afdoen als van voorbijgaande aard. Vaak klopt dit, maar in een aantal gevallen klopt dat niet en blijven deze kinderen rondlopen met hun probleem. Je moet als leerkracht deze signalen dus wel degelijk serieus nemen; al was het maar voor de zekerheid.

Angststoornissen algemeen

Angst is nuttig. Het helpt je gevaar te zien en erop te reageren. Zonder zo’n alarmbel om aan te geven dat je alert moet zijn, zou het snel slecht met je aflopen. Als je echter voortdurend in deze angstige staat van alertheid bent, is je leven een stuk minder prettig; het belemmert dan je functioneren; je hebt dan vaak concentratieproblemen en problemen met je (werk) geheugen. Bovendien zorgt die voortdurende alertheid ervoor, dat je ook gevaar detecteert wat er niet is.

Angststoornissen uiten zich op drie niveaus:

  • Fysiologisch: beven, hoofdpijn, buikpijn, gevoel van constante gespannenheid.
  • Cognitief: constant vervelende gedachten over de nare, verschrikkelijke dingen die zouden kunnen gebeuren en veel piekeren, met name voor het slapen gaan.
  • Gedragsmatig: proberen de angstige situaties constant te vermijden (bij elke repetitie ziek zijn) of de situatie te ondergaan met huilen of juist met snel geïrriteerd gedrag.

Ontstaan:

Er zijn een aantal manieren waarop angststoornissen kunnen ontstaan. Ik stip ze alleen kort aan. Voor een uitgebreide theoretische achtergrond verwijs ik naar de literatuurlijst. Een angststoornis kan ontstaan als een voorheen neutrale of zelfs prettige prikkel ineens een bedreigende betekenis krijgt. Een experiment heeft dit aangetoond. Men liet kleine kinderen een schattig wit konijn zien. De kinderen vonden het prachtig en lief. Ze waren er niet bang voor. De keer daarop liet men hetzelfde konijn zien en liet men de kinderen schrikken met een harde knal. Daarna vertoonden de kinderen angstig gedrag bij het zien van dit konijn. Een ander voorbeeldje: Mensen die als kind door een hond zijn gebeten, blijven er vaak heel lang bang voor.

Angst kan ook ontstaan door “modeling.” Als een kind in de klas ziet dat een kind dat een spreekbeurt geeft wordt uitgelachen, kan ervan overtuigd raken dat dit ook bij hem zal gebeuren.

Informatieoverdracht kan ook zorgen voor angst. Een kind hoort een verhaal van een medeleerling wiens ouders een ongeluk hebben gehad met de auto. Het kind kan zich erge zorgen om zijn eigen ouders gaan maken.

Uiteraard leiden dergelijke gebeurtenissen niet bij elk kind tot een angststoornis. Op dit moment blijkt uit onderzoek dat er ook een erfelijke component lijkt mee te spelen. Ook de opvoeding speelt een rol. Kinderen met deze stoornis hebben vaak één of twee angstige ouders. Er is dus sprake van een biopsychosociaal probleem.

Denkfouten:

Naast bovengenoemde oorzaken, maken kinderen met een geïnternaliseerde gedragsstoornis (maar ook kinderen met geïnternaliseerde gedragsproblemen) vaak een aantal denkfouten (vrij naar Delfos, M.F., 2010):

  • Zwart-wit denken: ze verdelen hun eigenschappen in alles-of-niets-categorieën (meestal ‘niets’). “Ik doe nooit wat goed.”
  • Ze stellen zichzelf gelijk met hun fouten: “Ik ben gewoon slecht.”
  • Overdrijven: “Iedereen moet mij altijd hebben.”
  • Positieve ervaringen ombuigen naar negatieve:  “Ik krijg nu wel een compliment van de juf, maar dat doet ze natuurlijk alleen maar omdat ze me zielig vindt.”
  • Gedachten lezen van anderen: “Ze denken vast dat ik dom ben.”
  • De toekomst voorspellen: “Ik weet nu al dat ik het antwoord niet weet als ik een beurt krijg.”
  • Zichzelf verwijten maken: “Het is mijn eigen schuld. Als ik beter had opgelet..”
  • Strenge eisen stellen aan zichzelf: “Ik moet gewoon aardiger zijn.”
scared_gedragsproblemenindeklas_nl

Sociale fobie:

Wat merk je in de klas

Er is sprake van sociale fobie of sociale angststoornis, als de symptomen het functioneren in het dagelijks leven belemmeren. Deze stoornis ontstaat vaak al op jonge leeftijd, maar openbaart zich pas rond het twaalfde jaar (groep 7/8). Vaak heeft één van de ouders ook sociaal angstige trekken of een sociale angststoornis. In een gesprek met de ouders zal er dus mogelijk veel herkenning zijn van dit gedrag bij het kind. Kinderen die te beschermd worden opgevoed, of kinderen die heel autoritair worden opgevoed, kunnen sociale angst ontwikkelen.

  • Deze kinderen maken vaak moeilijk contact met andere kinderen.
  • Soms vallen deze kinderen op door hun gebogen, zichzelf kleinmakende houding.
  • Ze gebruiken weinig gebaren en hebben een vrij neutrale gezichtsuitdrukking.
  • Deze kinderen zijn soms moeilijk verstaanbaar door hun zachte stem.
  • Deze kinderen kijken je niet of nauwelijks aan.
  • Vaak houden deze kinderen zich opvallend afzijdig bij activiteiten. Ze willen eigenlijk best meedoen, maar durven dit niet.
  • Ze vragen geen hulp als ze iets niet snappen.
  • Bij groepswerk hebben ze vaak weinig inbreng.
  • Kinderen met sociale angst gaan vaak niet naar de verjaardagspartijtjes van klasgenoten. Ook doen ze vaak niet mee met spelen na schooltijd.
  • Er zijn ook kinderen die het contact op de verkeerde manier proberen te maken: zij  krijgen ruzie door het veelvuldig op een verkeerde manier contact zoeken.
  • Soms zoeken deze kinderen in de pauze vooral contact met de leerkracht, zo kunnen ze contact met klasgenoten vermijden.
  • Deze kinderen willen niet in de belangstelling staan.
  • Als ze een spreekbeurt moeten houden, zijn ze ziek.
  • Soms kun je deze kinderen letterlijk zien zweten en blozen. Soms worden ze misselijk van spanning.
  • Ze zijn erg gevoelig voor de (negatieve) mening van anderen.

Wat merk je niet in de klas

  • Deze kinderen zijn eigenlijk voortdurend bang voor het deelnemen aan sociale gebeurtenissen. In de klas worden ze nog min of meer “gedwongen” mee te doen, maar in de pauze en thuis kunnen ze zich onttrekken aan allerlei sociale activiteiten.
  • Vaak vullen deze kinderen gedachten van andere kinderen vast in. “De andere kinderen vinden mij allemaal stom.”
  • Ze schrijven zichzelf weinig goede eigenschappen toe. Ik ben ..(vul maar in: lelijk, stom, niet aardig, enz.).

Wat kun je doen in je klas

  • Als leerkracht moet je in ieder geval zorgen voor een heel veilig pedagogisch klimaat. Deze kinderen zijn hiervoor nog gevoeliger dan andere kinderen.
  • Zet deze kinderen niet onverwacht in het middelpunt. Geef ze dus liever geen onverwachte beurt als ze niet zelf hebben aangegeven hier geen probleem mee te hebben.
  • Ga niet teveel mee in hun vermijdingsgedrag. Stimuleer ze om, desnoods samen met jou, een stap in de goede richting te maken.
  • Omdat deze kinderen vaak zelf geen hulp vragen als ze iets niet snappen, moet je zelf naar hen toe.
  • Praat met deze kinderen over hun gedachten en gevoelens. Hoewel leerkrachten zeker geen therapeut zijn, kun je soms wel praten volgens het G-G-G-schema uit de cognitieve gedragstherapie.* Overigens helpt deze therapie goed bij deze stoornis.
  • Als het kind weinig sociale vaardigheden heeft, kun je die samen oefenen. Eventueel kun je het kind opgeven voor een sova training.

verlegen_gedragsproblemenindeklas_nl

Selectief mutisme:

Deze stoornis is nauw verwant aan de sociale fobie. Het kind spreekt niet in bepaalde sociale situaties. Het kind praat bijvoorbeeld thuis gewoon, maar op school praat het niet. Het kan ook zijn dat het kind wel praat met klasgenootjes, maar niet met de leerkracht. Dit niet praten heeft niets te maken met fysiek onvermogen of een gebrekkige taalontwikkeling. De basis is angst. Mogelijke oorzaken kunnen zijn:

  • Een familiegeschiedenis van verlegenheid of angst. Als een van de ouders een angststoornis heeft of extreem geremd is in sociaal contact. Mogelijk spelen genetische factoren een rol.
  • Immigratie: Als een kind voor het eerst in een vreemd land een vreemde taal hoort, kan het zijn dat het zich daarvoor afsluit.
  • Tweetalige opvoeding en een derde taal. Kinderen die tweetalig zijn opgevoed en “buiten” een derde taal moeten praten, kunnen selectief mutisme vertonen. Bijvoorbeeld: de moeder praat Engels, de vader praat Frans en op school moet Nederlands gesproken worden.
  • Een gezin met extreem weinig sociaal contact kan een oorzaak zijn.
  • Een extreme verlegenheid of geremd of angstig temperament. Maar niet alle kinderen met selectief mutisme zijn extreem verlegen! Er zijn ook kinderen die koppig en/of agressief gedrag vertonen.

De stoornis openbaart zich vaak al voor het vijfde levensjaar, maar wordt dan vaak nog aangezien voor extreme verlegenheid, die vanzelf wel zal overgaan. Verlegen kinderen zeggen echter wel eens iets, ook al is dat soms heel zachtjes. Kinderen met selectief mutisme zeggen echt niets. De stoornis komt iets vaker voor bij meisjes dan bij jongens. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de stoornis vaker voorkomt dan vroeger werd gedacht (Bergman,R.L. e.a. 2002). Selectief mutisme heeft niets te maken met intelligentie.

Op de kleuterschool spelen zonder te praten kan vaak nog wel, maar in groep 3 begint het kind erg op te vallen. Voor leeftijdgenootjes wordt het kind een minder aantrekkelijk speelkameraadje. Het gevaar bestaat dat het kind langzaam buiten de groep zal vallen en bijvoorbeeld niet meer uitgenodigd wordt op verjaarspartijtjes.

Criteria

  • Het kind spreekt consequent niet in  sociale situaties waar dit wel wordt verwacht, terwijl het kind wel kan spreken in andere situaties.
  • Na een gewenningsperiode van een maand, gaan de meeste “gewoon” verlegen kinderen spreken. Een kind met selectief mutisme niet. Als na de tweede maand nog geen teken van spreekgedrag waarneembaar is, kun je gaan denken aan selectief mutisme.
  • Voor kinderen die tweetalig worden opgevoed, geldt een andere termijn, namelijk zes maanden. Bovendien moet het niet spreken in beide talen voorkomen.
  • Het niet spreken is niet een gevolg van andere problemen zoals autisme of een spraak- taalstoornis.

Comorbiditeit:

Comorbiditeit wil zeggen het samen voorkomen van een stoornis met andere stoornissen. Zo heeft 90% van de kinderen met selectief mutisme daarnaast een sociale fobie of een angststoornis. Soms hebben  deze kinderen last van dwanggedachten of dwanghandelingen. Vaak betreft dit extreem perfectionisme ten aanzien van hun schoolwerk (wat zich bijvoorbeeld kan uiten in alles véél keer opnieuw doen). Ook komen problemen met de zindelijkheid, motorische stoornissen en problemen met de articulatie (spraak- taalstoornissen) veel voor.

Deze kinderen worden door ouders vaak omschreven als heel koppig, met een ijzeren wil. De koppigheid heeft echter vaak als doel de voor het kind als angstig ervaren situaties te mijden. In contact met leeftijdsgenoten zijn ze daarentegen soms apathisch. Ze zijn soms wat rigide in hun manier van doen en houden van veel structuur.

Behandeling is absoluut noodzakelijk. Hoe vroeger het kind hulp krijgt hoe beter. Als een kind na het tiende jaar behandeld wordt, kost dit meer moeite. Het zwijgen en compenseren via bijvoorbeeld gebarentaal, vriendjes die het woord doen en non-verbale communicatie, is dan namelijk al meer ingeslepen. Er is een therapie ontwikkeld door Dr. Aretha De Jonge aan het UMC in Utrecht, met steun van De Stichting Selectief Mutisme. De therapie heet “Spreekt voor zich.” Andere therapeuten kunnen toegang krijgen tot dit programma.

Wat kun je doen in de klas:

  • Als er een vermoeden is van selectief mutisme, kun je als leerkracht nadenken over een aantal vragen, die een eventuele diagnose kunnen helpen. Klik op de link om de vragen te bekijken.
  • Houd in je achterhoofd dat kinderen met mutisme wel willen  praten, het ook kunnen, maar niet doen. Zo proberen ze de stress  en angst die ze door spreken ervaren te vermijden.
  • Leg aan de klas uit wat het kind heeft. Uiteraard in overleg met ouders en kind.
  • Besef dat het “niet praten” niet tegen jou persoonlijk gericht is en ook geen provocatie is.
  • Besef dus ook dat als het kind gedurende het schooljaar niet tegen je gaat praten, dat geen falen van jou als leerkracht is.
  • Het kan zijn, dat het kind in een ongedwongen situatie (bijvoorbeeld een spelletje) ineens wèl iets tegen je zegt en daarna weer niet meer. Ook dat is geen onwil. Geniet gewoon van het moment.
  • Zoek samen naar tijdelijke communicatiemogelijkheden: symbolen, gebaren, schrijven,enz.
  • Pas op dat je niet teveel extra persoonlijke aandacht geeft en stimuleer ook de non-verbale communicatie niet teveel. Dit kan het selectief mutisme in stand houden. Lastig is natuurlijk te bepalen wat dan teveel is. Overleg met de behandelaar.
  • Geef het kind een plaats in de klas waar het overzicht heeft. Over het algemeen hebben deze kinderen daar behoefte aan.
  • Samenwerken met de behandelaar en de ouders: de behandelaar werkt vaak samen met de leerkracht, omdat het kind dáár vaak niet tegen praat. Eén van de afspraken is vaak dat de klas niet meer het woord voert voor het kind.
  • Wat in de klas voor kinderen met een sociale fobie geldt, geldt ook voor deze kinderen: zorg voor een heel veilig klimaat.
  • Speel open kaart met het kind. Laat aan het begin van het jaar weten aan het kind, dat je snapt dat het spreken eng vindt, dat dit vaker voorkomt en dat het over zal gaan. Vertel het kind ook, dat het niet hoeft te praten tot het daar zelf aan toe is. Dit voorkomt veel stress.
  • Laat kinderen gewoon meedoen met de groepsactiviteiten.
  • Probeer het kind te laten kiezen met welk klasgenootje het zou willen omgaan en koppel deze twee kinderen dan aan elkaar. Hierdoor zal het kind vertrouwd raken met de ander, wat een basis kan zijn voor verdere angstafname.
  • Stel liever geen vragen waar een antwoord op moet komen, maar waarop een antwoord geven mogelijk is.
  • Dwingen tot spreken door het kind voor het blok te zetten zal absoluut niet werken! Het kind zal waarschijnlijk verstarren, gaan blozen aanhoudend gaan slikken en zich nog ellendiger voelen.
  • Aan het eind van het schooljaar, als je niet mee gaat met je klas, is het handig als de toekomstige leerkracht een paar keer bij je in de klas komt en dat het kind ook een paar keer bij die leerkracht kijkt. Zo kunnen ze vertrouwd raken met elkaar. Het spreekt vanzelf dat de nieuwe leerkracht op de hoogte is van selectief mutisme in het algemeen en de details over  dit kind in het bijzonder.

Wat kunnen klasgenoten doen:

  • Het is belangrijk dat zij het kind “normaal” behandelen als elk ander klasgenootje.
  • Ze kunnen beter niet proberen het kind vragen te “bewijzen” dat het kan praten.
  • Als het kind iets zou gaan zeggen, bijvoorbeeld tijdens een behandeltraject, kunnen ze beter niet klappen, juichen of staren. Dit zou de angst juist kunnen versterken; ineens staat het kind met mutisme in het middelpunt. Iets dat zij meestal niet zullen waarderen.
  • Laat ze het kind gewoon betrekken bij alle activiteiten.

Selectief mutisme lijkt geen belemmering te zijn voor het leren. Voor het toetsen op lees- en (mondeling)taalgebied, zouden de ouders ingeschakeld kunnen worden. Daar praat het kind immers wel? Zij kunnen een leesvaardigheidstoets bijvoorbeeld op audio of video opnemen als ze die thuis afnemen. Wil je meer lezen over selectief mutisme? Lees dan Thuis is Daphne Daphne, van Janine Scherpenberg.

Gegeneraliseerde angststoornis: Wat merk je in de klas

Kinderen met een gegeneraliseerde angststoornis zijn constant gespannen. Ze worden niet nerveus van één situatie of gebeurtenis, maar bevinden zich eigenlijk constant in een stressvolle situatie. Hun angst is dermate groot, dat die niet meer bij hun leeftijd past en het functioneren belemmert.

Kinderen met deze stoornis vertonen vaak de volgende kenmerken:

  • Ze piekeren veel, ook in de klas, maar vooral voor het slapen gaan. Hierdoor zijn ze in de klas vaak niet goed uitgerust.
  • Ze maken zich zorgen over alles en zien overal beren op hun pad. Zelf beseffen ze vaak niet dat ze meer piekeren dan andere kinderen.
  • Ze maken zich ook zorgen om dingen die voor een buitenstaander volstrekt onlogisch zijn. Bijvoorbeeld piekeren over een slecht  rapport, terwijl ze alleen maar goede cijfers halen.
  • Deze kinderen hebben veel bevestiging nodig en vragen vaak naar de bekende weg. Reageer daar niet geërgerd op, ze hebben die geruststelling echt nodig.
  • Vaak hebben deze kinderen vage klachten: hoofdpijn, buikpijn, enz.
  • Soms vertonen deze kinderen symptomen zoals nagelbijten en ander nerveus gedrag.
  • Soms zijn deze kinderen lusteloos en vinden niets leuk.
  • Een kind met veel angst gedraagt zich nogal eens jonger dan bij zijn leeftijd verwacht zou kunnen worden.

Gegeneraliseerde angststoornis: wat kun je doen in de klas

  • Zorg allereerst voor een veilige sfeer. Een sfeer van vertrouwen. Dat doe je altijd, maar voor deze kinderen is het nog belangrijker. Zij moeten zich gesteund voelen om bij je terecht te kunnen.
  • Toon begrip voor hun probleem.
  • Zorg dat jij sterk overkomt. Deze kinderen hebben niets aan anderen die ook angstig lijken.
  • Kijk of het kind signalen uitzendt, waaruit zou kunnen blijken dat er iets aan de hand is. Niet alle kinderen durven (uit zichzelf) over hun angsten te praten.

Separatie angst: wat merk je in de klas

  • Kinderen die lijden aan deze vorm van angststoornis, willen niet gescheiden worden van hun ouder(s). Vaak is dat de moeder.
  • Deze stoornis lijkt het meest voor te komen tussen het vierde en zesde levensjaar en rond het twaalfde levensjaar.
  • Deze kinderen zijn bijna niet naar school te krijgen. Vooral na het weekend of na de vakantie is het moeilijk voor hen om weer naar school te gaan.
  • Deze kinderen vertonen een verhoogde kans op spijbelen.
  • Vaak zijn deze kinderen voor ze naar school moeten ziek. De verschijnselen, zoals buikpijn, hoofdpijn en misselijkheid, zijn echt. Kinderen moeten soms echt overgeven voordat ze naar school moeten. Als het kind thuis mag blijven, voelt het zich al snel beter.

Separatieangst: wat kun je doen in de klas

  • Bouw een vertrouwensrelatie op met het kind. Investeer heel erg in de relatie.
  • Probeer het zelfvertrouwen van het kind te vergroten.
  • Toon begrip voor de angsten van het kind, maar probeer ook samen met het kind er doorheen te komen in kleine stapjes. Praat daarover in overleg met het kind en de ouders
  • Praat heel veel over de angsten met het kind. Probeer met behulp van de GGG-methode (uit de cognitieve therapie) of met behulp van oplossingsgericht werken of Kidskills samen met het kind de situatie te verbeteren.

Schoolfobie:

  • Het kind weigert (net als bij separatieangst) naar school te gaan en krijgt allerlei lichamelijke klachten voorafgaand aan het schoolbezoek. Andere angststoornissen (separatieangststoornis, sociale angststoornis) kunnen hieraan ten grondslag liggen. De symptomen lijken voor jou als leerkracht op die van de separatieangsstoornis. Wat je in de klas hieraan kunt doen kun je bij voornoemde stoornis lezen.

Obsessief-compulsieve stoornis (Obsessive Compulsive Disorder of OCD)

Deze stoornis komt regelmatig voor in combinatie met ADHD, Gilles de la Tourette, PDD-NOS en andere angststoornissen. Ook OCD heeft te maken met angst. Door bepaalde handelingen uit te voeren, wordt de angst (tijdelijk) verminderd. Obsessies verwijzen naar de dwanggedachten, compulsies verwijzen naar de dwanghandelingen. De woorden zeggen het al: het kind dat hier aan lijdt, kan deze gedachten en/of handelingen niet zelf stoppen. De dwanghandelingen dienen om de dwanggedachten te bedwingen. Een kind dat denkt dat hij besmet wordt met bacteriën, zal heel vaak zijn handen gaan wassen om dit gevaar te bezweren. Er ontstaat dus een ritueel om het gevaar te stoppen. Het kan ook zijn dat de gedachten die het kind heeft, volgens het kind zo erg zijn, dat hij ze “goed moet maken” met een bepaalde handeling. (Die het vervolgens heel vaak moet uitvoeren). De stoornis ontstaat meestal op de kinderleeftijd. Veel kinderen hebben (tijdelijk) rituelen, maar soms nemen ze een zodanige vorm aan dat dit storend werkt in het dagelijks leven.

ocd_1

OCD: Wat merk je in je klas

  • De meest voorkomende variant is smetvrees. Deze kinderen zullen ontzettend vaak hun handen willen wassen.
  • Ook veel voorkomend is de “controle” variant. Er is dan een ritueel zichtbaar waarbij het kind iets (dat kan van alles zijn) bij wijze van spreke honderd keer nakijkt. Een kind “moet” bijvoorbeeld tien keer zijn tas nakijken voor hij van huis naar school kan of het kind “moet” nog tig keer kijken of het niets vergeten is bij een gemaakte taak.
  • Er zijn talloze varianten. Zo was er een jongetje in groep 4 dat eerst alle woordjes “een” tien keer moest lezen voor hij verder kon lezen. Later werd dat vijftig keer, enz. Het leren lezen schoot uiteraard niet op..
  • Kinderen met deze stoornis willen bijvoorbeeld alles exact op een bepaalde manier of plaats op hun tafeltje hebben.
  • Het kan zijn dat ze een bepaalde vraag steeds opnieuw (moeten) stellen.
  • Soms moeten deze kinderen een voorwerp een precies aantal keren aanraken.
  • Het kan zijn dat het kind een tekst steeds opnieuw moet herlezen voor het verder kan lezen.
  • Het kan zijn dat het kind zijn werk steeds opnieuw begint om het perfect te krijgen.
  • Sommige kinderen moeten keer op keer over de drempel stappen en weer terug, of staan/zitten, staan/zitten enz.
  • Er zijn kinderen die moeten stelen zonder noodzaak (kleptomanie).
  • Wanneer de routines en rituelen onderbroken worden, raken deze kinderen vaak uit hun humeur.
  • Kinderen die aan OCD lijden, staan voortdurend onder grote spanning. Ze kunnen daardoor snel geïrriteerd zijn of zich afsluiten voor anderen.

Kortom de uitingsvormen zijn legio. Natuurlijk kun je als leerkracht niet alles herkennen, maar als een kind OCD heeft, weten de ouders dit meestal ook. Tegen deze kinderen kun je niet zeggen: “Kom stel je niet aan. Als jij wilt stoppen stop je toch gewoon?” Het niet uitvoeren van de dwanghandelingen leidt tot steeds grotere spanningen en zelfs tot regelrechte paniekaanvallen bij het kind.

OCD: Wat kun je doen in je klas

  • Let als leerkracht op alarmsignalen, zoals vaak opnieuw gedaan werk, herhaaldelijk overschreven cijfers of letters en alle hierboven voorkomende verschijnselen. OCD zit vaak in de familie en komt vaak voor bij Gilles de la Tourette Syndroom.
  • In de klas kun je het kind accepteren zoals het is. Oefen geen dwang uit om het kind te laten stoppen met zijn dwanghandelingen. Dit leidt tot niets (zie boven).
  • Zorg vooral voor een veilig pedagogisch klimaat, waarin het kind zichzelf kan zijn ondanks alle moeilijkheden.
  • Lees vooral ook meer over dit onderwerp. Op de Vlaamse site www.tourette.be vind je uitgebreide(re) informatie over achtergrond en verschijningsvormen van OCD.

Een paar “speciale” angststoornissen:

Faalangst is niet oopgenomen in de DSM IV, maar kan het leven van een kind aardig ingewikkeld en onplezierig maken. Op de pagina faalangst lees je er meer over. MCDD is een vorm van autisme die gepaard gaat met veel angst. Je leest er meer over op de pagina MCDD.

Anorexia Nervosa:

Dit is een vorm van angst die vanaf de puberteit kan optreden. Zowel bij meisjes (dat is heel bekend) als bij jongens (en dat is veel minder bekend). Het is de angst om dik te  worden. Dit uit zich in niet eten, eten uitbraken, het gebruik van laxeer middelen en veel bewegen. Als het lichaam onder een bepaald gewicht komt, gaan de hersenen anders functioneren. Dat kan leiden tot meer emotionele reacties zoals angst. Een puber met anorexia heeft professionele hulp nodig.

Depressie bij kinderen

Kunnen kinderen depressief zijn? Ja, dat kan. Hoe ongelooflijk het misschien klinkt, zelfs kinderen kunnen depressief zijn. Alleen is het bij kinderen soms moeilijker te ontdekken, omdat zij soms toch nog vrolijk lijken. Als mogelijke oorzaken denkt men aan het feit dat kinderen steeds meer moeten presteren, ouders verwachten veel van hen. Kinderen vinden daarom van zichzelf ook dat zij aan (steeds) hoge(re) eisen moeten voldoen. Dit levert soms stress op en uiteindelijk soms een depressie. Daarnaast zijn mogelijke risicofactoren: gepest worden, niet geaccepteerd worden in de groep, moeilijkheden thuis hebben (denk aan mishandeling, seksueel misbruik, ouders met een psychisch probleem, zeer autoritaire opvoedstijl van de ouders, conflicten in het gezin, enz.) of het meegemaakt hebben van een stressvolle gebeurtenis (verhuizing, overlijden naaste familie, enz.). Depressies komen ook voor in combinatie met angststoornissen. Meisjes vanaf de puberteit (rond de 12 jaar) lopen een verhoogd risico op een depressie. Ook kinderen die voor hun twaalfde een angststoornis hebben gehad lopen meer risico.

Onderkennen van een depressie bij kinderen is belangrijk. Een depressie laat namelijk sporen in de hersenen achter. Hoe eerder deze ontdekt wordt, hoe beter deze depressie te behandelen is. Hoe ziet een depressie er bij kinderen uit?

depressie2_gedragproblemenindeklas_nl

Wat kun je merken bij kleuters:

  • Het kind is prikkelbaar en vlug gefrustreerd.
  • Het kind heeft slaapproblemen en klaagt over pijn en vermoeidheid.
  • Het kind is niet actief en heeft minder plezier dan “vroeger.”
  • Het kind heeft een opvallende behoefte aan affectie.
  • Het kind gedraagt zich te rustig.
  • Het kind is opvallend huilerig.

Wat kun je merken bij basisschoolkinderen:

  • Het kind is erg somber, maar kan soms toch nog wel even lol maken.
  • Vooral jongens laten soms negatief, prikkelbaar, humeurig en agressief gedrag zien.
  • Het kind schat zijn prestaties (veel) te laag in.
  • Het kind voelt zich waardeloos (en zegt dat soms ook).
  • Het kind is meer bezig met de dood, praat over begrafenissen, zelfmoord, enz.
  • Het kind heeft een pessimistische kijk op het eigen leven.
  • Het kind lijdt aan hevige schuldgevoelens.
  • Het kind oogt hulpeloos en hopeloos.
  • Het kind heeft last van angsten.
  • Het kind heeft last van pijntjes.
  • Het kind kan moeilijk in slaap komen.
  • Soms vertonen deze kinderen “vertraagd gedrag” : ze bewegen trager, reageren trager en praten langzamer.
  • Andere kinderen vertonen juist geagiteerd gedrag en vertonen juist een versneld tempo.
  • Het kind valt (ineens) op doordat het erg prikkelbaar is en/of brutaal reageert.
  • Soms heeft het kind steeds minder vrienden, omdat het zich terugtrekt of agressief gedraagt.
  • Slecht slapen, waardoor het moe in de klas zit.
  • Moeite met concentratie, opeens slechte schoolprestaties.
  • Gebrek aan energie.
  • Het kind heeft verminderde eetlust en kan zelfs afvallen.
  • Het kind vindt het moeilijk om beslissingen te nemen, omdat het er het nut niet van inziet. “Wat maakt het allemaal uit.”
  • Het kind verzorgt zichzelf niet goed meer.
  • Vaak zie je een kind dat normaal presteerde ineens duikelen in cijfers, werkhouding en humeur.
  • Het kind is niet ook meer gemotiveerd voor school: “Ik kan het toch niet.”
  • Soms vertoont het kind regressief gedrag (gedrag uit een eerderontwikkelingsfase): het kind gaat bijvoorbeeld weer duimzuigen.

Misschien ten overvloede: niet alle kinderen vertonen al deze symptomen en niet elk kind dat een aantal van deze symptomen vertoont heeft een depressie.

Wat kun je doen in de klas:

  • Ook hier geldt: zorg voor een veilig, voorspelbaar klassenklimaat.
  • Blijf het kind bij de groep betrekken.
  • Blijf zelf in contact met het kind, omdat het vaak onzichtbaar aanwezig is, bestaat de kans dat dit er bij in schiet.
  • Bied een luisterend oor, maar probeer adviezen geven te vermijden. Wel kun je helpen met zoeken naar oplossingen die het kind uiteindelijk zelf aandraagt.
  • Stel haalbare eisen aan het kind. Voorkom falen. Dit kind is daar immers extra gevoelig voor.
  • Raadpleeg/informeer de ouders!
  • Help het kind om weerbaarder te worden.
  • Zorg dat je alert bent op gedragsveranderingen en stemmingswisselingen.
  • Zorg dat je alert ben op suïcidale uitlatingen en neem ze serieus. Het is op zijn minst een kreet om hulp.

Mogelijke gevolg van een depressie:

  • Het kind is niet meer gemotiveerd- het presteert daardoor slechter- de motivatie neemt nog verder af- de prestaties ook- enz.
  • De verminderde prestaties zorgen voor afname van het zelfvertrouwen- het kind wordt bevestigd in zijn “niet kunnen”- het kind voelt zich waardeloos- Er ontstaat een steeds slechter zelfbeeld.
  • Het kind zoekt minder contact met klasgenoten- de klasgenoten laten het kind op den duur links liggen- het kind “merkt” dat anderen hem niet leuk vinden- het kind trekt zich verder terug- het kind oefent minder sociale situaties- het kind raakt achter in sociale ontwikkeling.
  • Ook na de depressie kan het verminderde contact stand houden, waardoor het kind uiteindelijk weer somberder wordt omdat niemand hem leuk vindt.

Post traumatische stress stoornis (PTSS)

PTSS valt in de DSM 5 niet langer onder de angststoornissen, maar is geschaard onder het kopje psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen.  Deze stoornis ontstaat door een (onverwerkte) heftige gebeurtenis, zoals een ongeluk, overlijden van een ouder, seksueel misbruik, mishandeling, getuige zijn geweest van daden van agressie, zoals schietpartijen of mishandeling van iemand, meegemaakte oorlogssituatie, enz.  Het meemaken van dergelijke gebeurtenissen leidt tot gevoelens van ontreddering, machteloosheid en gevoelens van angst en verdoving. Ook is er een gevoel van acute ontwrichting: ineens is alles anders: het leven vóór de gebeurtenis en het leven erná.  Niet iedereen die een dergelijke gebeurtenis meemaakt, ontwikkelt PTSS. Als die ontreddering lang aanhoudt, spreekt men van PTSS. Deze stoornis komt vaak niet alleen voor. In ongeveer 80% van de gevallen is er sprake van bijkomende problemen, zoals stemmingsstoornissen, slaapstoornissen, leerstoornissen, enz.

Wat kun je merken in de klas:

  • De schoolresultaten kelderen ineens.
  • Het kind heeft geen zin meer in vakken die het vroeger leuk vond.
  • Het kind heeft last van concentratieproblemen.
  • De algemene motivatie om te leren neemt sterk af.
  • Soms zijn kinderen overdreven op hun hoede en snel angstig.
  • Het kind kan somber worden of schuldgevoelens ontwikkelen.
  • Het kind kan negatief over zichzelf gaan denken en zichzelf niets waard vinden.
  • Soms kan het kind agressief gedrag gaan vertonen.
  • Op stille momenten hebben deze kinderen soms last van herbeleving van de verschrikkelijke momenten. Ze lijken dan afwezig.
  • Het kind probeert situaties die aan de gebeurtenissen herinneren vaak koste wat het kost te vermijden.

Wat kun je doen in de klas:

Uiteraard kun je als leerkracht het trauma niet vaststellen, noch behandelen. Toch kun je wel een steun voor het kind zijn.

  • Als je weet dat een kind een ernstige gebeurtenis heeft meegemaakt, kun je letten op signalen zoals je hierboven hebt gelezen.
  • Zorg ook hier voor een heel veilig klimaat. Juist nu heeft het kind behoefte aan een veilig gevoel.
  • Erken de problemen en/of het verdriet van het kind.
  • Toon begrip, maar ga niet mee in de emoties van het kind, hoe moeilijk dat ook kan zijn.
  • Bekijk of het kind ook hulp nodig heeft van een orthopedagoog, schoolarts, enz.
  • Bekijk of de ouders op de hoogte zijn, zorg voor goed overleg tussen school en  ouders. Doe dit niet alleen, zorg voor een IB-er of gedragsspecialist bij de gesprekken. (Hierbij  is aangenomen dat de ouders niet de veroorzakers van het trauma zijn).
  • Let op: bij een trauma is de school niet de aangewezen instelling voor een oplossing: de zaak moet worden overgedragen aan jeugdzorg of GGz.
  • Er is een Toolkit kind en trauma van het Landelijk Psychotrauma centrum voor Kinderen en Jongeren, met meer stapsgewijze informatie.
  • Als leerkracht of docent kunje een online cursus volgen op dit gebied. Lees meer op de site van Augeo: https://www.augeo.nl/nl-nl/leerkrachten-po-traumasensitief-lesgeven/ 

 

Wil je zelf meer lezen over trauma dan kun je een kijkje nemen op de pagina traumasensitief lesgeven: http://gedragsproblemenindeklas.nl/gedragsproblemen/traumasensitief-onderwijs/       Je kunt ook verder lezen in mijn boeken. Daarin vind je een uitgebreid hoofdstuk over getraumatiseerde kinderen in het onderwijs. Klik op de afbeelding voor het gewenste boek. Je wordt doorgelinkt naar mijn boek bij bol.com

 

Belangrijk:

Leerkrachten zijn geen therapeuten of psychologen. Veel symptomen zijn moeilijk waar te nemen. Bovendien vallen kinderen met “acting-out” gedrag veel sneller op. Kinderen met angsten en depressie zijn vaak kinderen die over het hoofd worden gezien. De titel van een boek dat over deze kinderen gaat zegt het precies: Stille kinderen zeggen veel (Vegt en Loonstra, 2005).  Als je een boek wilt lezen over selectief mutisme, kan ik je Thuis is Daphne Daphne  van  Janine Scherpenberg aanraden. Je kunt hier lezen hoe selectief mutisme ervaren wordt door het kind zelf. Als je vermoedt dat een kind lijdt aan angsten, fobieën of een depressie, ga dan met de ouders in gesprek en deel je zorgen.

imagesCA6CMEMV

Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.