PDA staat voor Pathological Demand Avoidance. Het kind met autisme vermijdt actief alle eisen. Het gevoel iets te moeten is zó bedreigend en levert voor het kind zóveel stress en angst op, dat het kind alles weigert dat ‘moet.’ Een meer positieve benaming is Pervasive Drive for Autonomy. Een Fundamentele Drang naar Autonomie. Het kan vaak al op jonge leeftijd geconstateerd worden (Hess, 2022). Recente studies tonen aan dat 74% van de getroffenen kinderen unieke coping mechanismen ontwikkelen vóór de leeftijd van 8 jaar.
Met hun controlerende gedrag worden ze vaak als luid, zelfverzekerd en bazig gezien. Dat dit een masker is om om te kunnen gaan met hun omgeving is vaak niet zichtbaar. Deze gedragingen ontstaan dus niet door opstandigheid of een ‘opvoedings- of karakterfout’, zoals vaak wordt gedacht, maar door een diepgewortelde angst om de controle over hun omgeving of hun autonomie te verliezen.
Vraagvermijding bij PDA gaat meestal niet om de activiteit zelf. De vraag of eis wordt gevoeld als een inbreuk op de autonomie (zelfbeschikking) van de PDA-er. Dit triggert de vraagvermijding. De inbreuk op de autonomie is wat de stress en angst veroorzaakt. Het doet er dus niet toe om welke activiteit het gaat. Toch kan vermijding vanwege angst voor de activiteit ook voorkomen bij PDA. Dit maakt het extra ingewikkeld.
PDA wordt erkend in het Verenigd Koninkrijk, hier is het nog een omstreden diagnose. Wetenschappers en therapeuten erkennen echter steeds vaker dat PDA een uniek profiel is binnen het autismespectrum, dat om een specifieke benadering vraagt (Curtis, 2025).
Er zijn nog geen internationaal gevalideerde, officiële diagnostische criteria bestaan voor Pathological Demand Avoidance (PDA). De diagnose van PDA wordt vooral gebaseerd op klinische observatie en screeningslijsten (Kidahl, 2021) die voortkomen uit het werk van Newson et al (2003).
Voorbeeld: Fien is een 10-jarig meisje en vermijdt taken zoals het aankleden of het maken van huiswerk. Als haar ouders haar pushen om iets te doen, kan ze extreem reageren, bijvoorbeeld door een meltdown of door zich terug te trekken op haar kamer. Op school heeft ze moeite met groepsactiviteiten en ontwijkt ze opdrachten door afleiding te zoeken of te onderhandelen met haar leerkrachten. Wat aanvankelijk leek op koppig gedrag, bleek na een psychologische evaluatie PDA te zijn. Fien’s angst om de controle te verliezen dreef haar vermijdende gedrag, en met behulp van strategieën die haar meer controle gaven, zagen haar ouders dat ze beter omging met dagelijkse taken (Bron: Autsider, 2024)
Kinderen met PDA krijgen al heel snel door hoe ze er voor kunnen zorgen dat de dingen gaan zoals zij willen dat ze gaan. En dat mensen reageren zoals zij willen dat ze reageren.
Ze krijgen daardoor vaak het stempel ‘manipulatief’, en dat kan er in verschillende situaties anders uit zien. Zo kan een kind dat thuis heel bepalend en boos is, op school juist onzichtbaar worden zodat er maar zo weinig mogelijk van hem gevraagd wordt. De ‘manipulatie’ is echter hun overlevingsstrategie: het maakt de wereld veiliger als je anderen kunt laten doen wat jij wilt.
Hieronder vind je de belangrijkste kenmerken van PDA, waarbij elk kind toch weer uniek zal zijn in ernst ervan:
De angst die deze kinderen ervaren, kan zelfs worden opgeroepen door alledaagse, eenvoudige verzoeken, zoals het pakken van je boek of het opruimen van de klas.
Als je dit vergelijkt met andere gedragsbeelden bij autisme, kun je het volgende zien: Bij ASS vertraagde reacties versus onmiddellijke weigering bij PDA.
Bij PDA manifestatie van angst: Fysiologische stresssignalen die voorafgaan aan vermijding
Sociale motivatie: Behoud van de wens tot verbinding ondanks uitdagingen.
Het maken van (routine) taken kan de ene dag prima lukken, maar de andere dag helemaal niet. Dit is onder andere afhankelijk van de emotionele staat waarin het kind verkeert (Editverse, 2025).
Sommige kinderen gebruiken afleiding, humor of charme om anderen af te leiden van de oorspronkelijke vraag. Anderen onderhandelen of stellen (eindeloos) uit, in de hoop dat de vraag vanzelf verdwijnt. Als de druk die ontstaat door de eis te groot wordt kan er ook een meltdown volgen. Het kan ook zijn dat het kind zich volledig afsluit.
Voor kinderen met autisme is liegen vaak lastiger dan voor andere kinderen. Je moet je immers verplaatsen in een ander. Kinderen met het PDA-profiel gebruiken vaak smoezen om bepaalde dingen uit te weg te gaan. Hoe meer verwachtingen zijn, hoe eerder een kind met dit PDA-profiel die zal vermijden of ontwijken en hoe groter de stress wordt die het kind ervaart.
Kinderen met dit PDA-profiel zijn vaak gevoeliger voor boosheid, woede en spanningen bij anderen. Een boze leerkracht heeft dus bijna zeker een averechts effect. Door verkeerde interpretaties van hun gedrag, maar ook doordat deze kinderen zelf gedrag van anderen verkeerd kunnen interpreteren, verloopt de sociale communicatie met anderen dan ook vaak niet soepel.
Zoals kort gezegd, het gedrag kan externaliserend (naar buiten gericht) zijn, maar ook internaliserend (naar binnen gericht). De internaliserende klachten uiten zich in de vorm van angst, paniek en depressieve gevoelens—vooral als de omgeving hun gedrag niet begrijpt en er steeds hogere eisen worden gesteld. Meisjes proberen bepaalde angsten zo veel mogelijk te ‘camoufleren’ (maskeren). Ze gaan bepaald gedrag beredeneren en kopiëren van anderen, zoals dat van hun omgeving verwacht wordt. Vaak doen ze er alles aan om maar niet ‘ontdekt’ te worden. Proberen te vermijden wat ze werkelijk denken en voelen. Voortdurend alert zijn op hetgeen wat ze moeten zeggen, continu nadenken of dit gepast is en proberen niet te direct te zijn. Dit brengt in hun dagelijks leven veel stress en angst met zich mee (Hair, 2024). Het kind kan daardoor zoveel stress ervaren dat het bijvoorbeeld zichzelf gaat beschadigen.
Het Autismecentrum Groningen signaleert dat niet herkend of gebagatelliseerd internaliserend vermijdingsgedrag kan leiden tot terugtrekking, overbelasting en zelfs crisisopnames, vooral wanneer reguliere hulpverleningsstrategieën tekortschieten.
De sleutel tot ondersteunen van kinderen met PDA ligt in het verminderen van hun angst en het bieden van meer controle. Geef bijvoorbeeld een beperkte keuze: ‘Ga je eerst deze les of deze les maken?’ ‘Ga je de les straks maken of doe je dat nu?’ Keuzemogelijkheden krijgen binnen gestructureerde grenzen, verminderen angst en meltdowns aanzienlijk (tot 54% minder uitbarstingen en 82% minder ervaren angst). Zie Ediverse.com.
Ook het gebruiken van spelelementen en humor kunnen gebruikt worden om taken minder veeleisend te maken. Door van een taak een spel te maken, zoals “Laten we zien hoe snel je klaar bent om naar buiten te gaan’, kan de spanning rond een taak worden verminderd.
Positief contact en het opbouwen van relaties met het kind is belangrijk. Er is kans dat het kind extra gevoelig is voor stemverheffing, negatieve tonen of moeite heeft met dubbelzinnige gezichtsuitdrukkingen, wat allemaal triggers kunnen zijn.
Ook de taal waarmee je jouw eisen stelt, kan een groot verschil maken. Een directe opdracht als ‘Begin met je sommen’ kan enorme weerstand oproepen. Een vriendelijker, minder directe suggestie zoals ‘Ik vraag me af of jij deze sommen wel begrijpt/ snel kan maken/ afkrijgt vandaag’ kan helpen de druk te verminderen. Beperk of vermijd directieve taal waar mogelijk en gebruik declaratieve taal in plaats daarvan.
Samenwerkingsstrategieën blijken essentieel voor het verminderen van stress. Onderzoek laat een 57% hogere betrokkenheid bij het gebruik van onderhandelde taakvolgordes (Avery, 2022). Deze manier van werken respecteert de individuele autonomie die hier nog belangrijker is dan anders.
Kinderen met autisme houden veelal van duidelijke regelmaat, structuur, voorspelbaarheid en strakke planning. Bij kinderen met dit PDA profiel lijkt dat meestal niet goed te werken. Zij hebben juist begrip en respect nodig voor hun eigengereidheid, flexibiliteit, eigen normen en waarden en vraag naar soepele eisen.
Het publiekelijk berispen of beschamen van een een kind met PDA kan extreme angst en stress veroorzaken, en het opleggen van straffen draagt bij aan de toch al hoge eisen. Dergelijke maatregelen bereiken niet het beoogde resultaat van gedragsverandering bij een kind met PDA (en volgens mij bij geen een kind!) en kunnen zelfs leiden tot schoolverzuim.
Voor kinderen met PDA is het belangrijk dat hun omgeving voorspelbaar en veilig aanvoelt. Een omgeving met veel prikkels of onverwachte eisen kan angst oproepen, wat het vermijdingsgedrag versterkt. Rustige ruimtes (safeplaces) waar een kind zich kan terugtrekken wanneer de druk te groot wordt, zijn essentieel (zie ook Horeweg, 2024). Dit geeft hen de kans om even tot rust te komen.
Zitplaatsen – in het basisonderwijs zitten kinderen meestal op dezelfde plek. Dat kan zorgen dat deze kinderen zich veilig voelen en zich beter kunnen concentreren. Controleer of ze niet in de buurt zitten van iemand die hen om welke reden dan ook triggert.
In het voortgezet onderwijs, waar ze mogelijk vaker van klaslokaal moeten wisselen, helpt het om in elk lokaal steeds op dezelfde plek te mogen zitten (bijvoorbeeld het dichtst bij de deur) en samen zitten met klasgenoten bij wie ze zich comfortabel en veilig voelen.
Dwing het kind niet om oogcontact te maken, zich met grote groepen te mengen of andere ’typische’ dingen te doen waardoor het zich angstig en ongemakkelijk voelt. ‘Iedereen moet gezellig meedoen’ zal hier averechts werken.
Veelvoorkomende triggers lijken voor anderen vaak alledaags. Een onderzoek uit 2024 identificeerde drie belangrijke katalysatoren:
Nog niet in elke school haalbaar, maar flexibele leerplannen, extra tijd voor opdrachten en één-op-één begeleiding kunnen het verschil maken tussen een overweldigende schooldag geweldige schooldag.
Aanpassingen tijdens de pauzes, zodat in een rustige(re) ruimte kunnen eten, weg van de drukte en het lawaai en ingewikkelde onverwachte sociale situaties, kan helpend zijn.
Flexibiliteit rond huiswerkverwachtingen. Kinderen en jongeren met PDA vinden een schooldag zeer zwaar, ook zonder de extra huiswerkopdracht wanneer ze thuiskomen in hun veilige omgeving. Het is essentieel dat de school dit begrijpt en samen met het kind/de ouder/verzorger werkt om alleen taken op te geven die belangrijk en goed uitvoerbaar zijn.
Wellicht kunnen hun comfortabel zijn in rollenspel, doen-alsof spel en fantasiespel gebruikt worden om zich positief te profileren.
Bij PDA hoor je vaak: ‘Ik heb alles geprobeerd en niets werkt’. En dat klopt. Veel conventionele methodes zijn gebaseerd op straf en beloning. Ze werken aan gedragsverandering en dat werkt niet. Want PDA is een neurologisch probleem en geen gedragsprobleem. Er is juist hier behoefte is aan vertrouwen, voorspelbaarheid, samenwerking en flexibiliteit zodat de angst minder en beter hanteerbaar wordt. Kortom aan traumasensitief onderwijs.
….
Website:
PDA Society met informatie voor leerkrachten.
Editverse.com over PDA-onderzoek.
Avery, S. K., & Akers, J. S. (2021). The use of demand assessments: A brief review and practical guide. Behavior Analysis in Practice, 14(2), 410-421.
Christie, P., Duncan, M., Fidler, R., & Healy, Z. (2012). Understanding Pathological Demand Avoidance Syndrome in children: A guide for parents, teachers, and other professionals. Jessica Kingsley Publishers.
Curtis, S., & Izett, E. (2025). The experience of mothers of autistic children with a pathological demand avoidance profile: An interpretative phenomenological analysis. Discover Mental Health, 5(1), 5. https://doi.org/10.1007/s44192-025-00127-3
Haire, L., Symonds, J., Senior, J., & D’Urso, G. (2024, August). Methods of studying pathological demand avoidance in children and adolescents: a scoping review. In Frontiers in Education (Vol. 9, p. 1230011). Frontiers Media SA.
Kildahl, A. N., Helverschou, S. B., Rysstad, A. L., Wigaard, E., Hellerud, J. M. A., Ludvigsen, L. B., & Howlin, P. (2021). Pathological demand avoidance in children and adolescents: A systematic review. Autism, 25(8), 2162–2176. https://doi.org/10.1177/13623613211034382
Newson, E., Le Maréchal, K., & David, C. (2003). Pathological demand avoidance syndrome: a necessary distinction within the pervasive developmental disorders. Archives of Disease in Childhood, 88(7), 595–600. https://doi.org/10.1136/adc.88.7.595
O’Nions, E., Happé, F., Evers, K., Boonen, H., & Noens, I. (2014). Extreme demand avoidance in autism spectrum disorder: A general population study. European Child & Adolescent Psychiatry, 23(6), 553-561.
White, R., & Livingston, L. A. (2022). Understanding the contributions of trait autism and anxiety to extreme demand avoidance in the adult general population. Journal of Autism and Developmental Disorders, 53(7), 2680–2688. https://doi.org/10.1007/s10803-022-05469-3