Gedrag op schoolGedragsproblemen in de klas? Moeilijk gedrag? Signaalgedrag? Ontregeld gedrag? Deze pagina gaat over omgaan met moeilijk gedrag, lastig gedrag of probleemgedrag. Het woord ‘probleemgedrag’ kan misleidend zijn. Lees daarom ook vooral de ‘gebruiksaanwijzing’ van deze site. Gedrag op school. Het gaat hier niet om schuld. Gedrag is ook nooit alleen van het kind. Gedrag vindt plaats in interactie. In eerste instantie is het aan de school en de leerkracht om een goede gedragscultuur neer te zetten.
Een ‘gedragsprobleem’ is gebonden aan iets uit de ‘omgeving.’ Dat kan bijvoorbeeld een ACE of een trauma zijn, maar ook een slechte opvoeding, leerproblemen, onder- of overvraging, de relatie met de leraar of met klasgenoten. Het gaat om een mismatch die je als leraar moet oplossen. Ik vind uitdrukkelijk dat je moet kijken naar leerkracht, kind en omgeving (klas, vriendjes, ouders, vak, buurt, enz.). De context doet ertoe. (Horeweg, 2021; Spilt, 2018; Minderhout, 2024).
Ik wil proberen om een kader te scheppen, waarin je kunt nadenken over een preventieve basis om gedragsproblemen te voorkomen en als ze toch voorkomen, ze op te lossen met de leerling. Hiervoor kun je zeer zeker het begin van het schooljaar benutten en gebruikmaken van inzichten uit de groepsdynamica. Ook inzetten op de relatie met je leerlingen en goed klassenmanagement zijn een sterke vorm van preventie.
Wat leraren meestal probleemgedrag noemen, is externaliserend gedrag. Het is gedrag dat je opmerkt. De omgeving heeft er last van. Dat gedrag ziet er globaal als volgt uit:
• Dwars, dwingend, onrustig, brutaal.
• Agressief, dominant, niet sociaal, niet eerlijk en regels schendend.
• Druk, ongeconcentreerd, overbeweeglijk en impulsief.
• Wisselende buien, onvoorspelbaar, explosief, angstig, snel beledigd.
• Weinig motivatie, slechte werkhouding.
Het mag duidelijk zijn, dat een kind deze gedragingen in meer of minder mate kan hebben. Het kan zelfs per situatie verschillen.
Dit gedrag merk je (bijna) niet op. Vooral de leerlingen die dit gedrag vertonen hebben er last van. Ze vertonen meestal het volgende gedrag:
• Ze maken zeer moeilijk contact, zijn niet communicatief niet altijd vaardig.
• Ze zijn stil, gesloten, angstig, hebben weinig aansluiting bij de andere leerlingen en zijn passief en somber.
• Of ze zijn heel onzeker, hebben weinig zelfvertrouwen, zijn heel faalangstig en soms dwangmatig in gewoonten.
Het mag duidelijk zijn dat een kind de genoemde gedragingen in meer of mindere mate kan hebben. Het kan zelfs per situatie verschillen. Ook kun je stil zijn en dat zelf gewoon prettig vinden. Denk aan introverte kinderen (Horeweg, 2023).
Stel je voor: je komt ’s ochtends bijna te laat op school, doordat je de avond ervoor heel laat naar bed ging en daardoor niet wakker werd ’s morgens. Grote (?) kans dat de kinderen die dag een leerkracht treffen die iets minder flexibel is dan andere dagen. Logisch. Dit voorbeeld laat zien dat de omgeving en situatie van invloed zijn op je gedrag.
Sommig gedrag heeft te maken met onveilig opgroeien, sommig gedrag met nog niet goed ontwikkelde executieve functies of nog niet ontwikkelde sociale en emotionele vaardigheden. Andere problemen hebben te maken met een onduidelijke of verkeerde aansturing door de leraar of gedrag van klasgenoten of met de thuissituatie.
Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek dat kinderen die een scheiding meemaken, de eerste twee jaar na de scheiding vaak enorm in prestaties achteruit gaan en soms onhandelbaar gedrag vertonen.
De ecologische visie (Bronfenbrenner, 1976), legt uit dat je moet kijken naar de ‘omgeving.’ Ook de contextuele theorie (Nagy, 1994) gaat hier van uit. Omgeving (leerkracht, klasgenoten, plek in de klas, thuissituatie) zijn van invloed op iemands gedrag (Horeweg, 2015, 2021, 2024; Pameijer, 2019).
Het Meervoudig risicomodel (van der Ploeg, 2011), gaat er van uit, dat als je naar de omgeving van het kind kijkt, er een aantal factoren een extra risico vormen en probleemgedrag als het ware voorspellen. Denk hierbij aan de chaotische, dysfunctionele gezinssituatie, verkeerde vrienden, temperamentvolle persoonlijkheid, slechte taalontwikkeling, problemen in prikkelverwerking, slechte zelfregulatie, enz. (Horeweg, 2021, 2024; NJI, 2022)
| Wil je meer weten over omgaan met ‘gedragsproblemen’ op school? Boek een incompany bijeenkomst Voorkom lastig gedrag of Een schoolbrede aanpak van gedrag met Anton Horeweg. Lezing, vorming, studiedag, klassenobservaties of begeleidingstraject mogelijk. |
Daarnaast zijn er ook beschermende factoren, die bijdragen aan het voorkómen van probleemgedrag. Factoren in het kind (temperament, emotieregulatie, intelligentie), gezinssituatie, vrienden, leerkrachtgedrag, enz. weer in ogenschouw nemen. Al naar gelang hun verschijningsvorm kunnen factoren uit het leven van een kind risico- of beschermende factor.
Toch bekijken we in zo’n geval al snel wat het kind ‘mankeert.’ Het is echter goed om na te gaan wat je eigen leerkrachtgedrag bijdraagt aan de problemen. Veel gedragsproblemen verminderen door een veranderde houding van de leerkracht. Lees daarvoor ook mijn artikel in Didactief.
Onthoud het volgende: ‘Als een kind zich slecht gedraagt is er iets dat hij slecht verdraagt.'(Mijland, 2019)
In de literatuurlijst vind je boeken over contextueel kijken naar gedrag.
Als leerkracht besteed je vele uren aan het aanleren van de tafels of werkwoorden. Als een kind het niet snapt, leg je het geduldig nog een keer uit. En nog een keer…en desnoods nóg een keer. En volgende week, als het kind de instructie weer ‘kwijt’ is, weer. Als een kind door de klas praat, leg je dat één keer uit, misschien wel twee keer. Maar dan moet het kind toch echt wel doorhebben dat het niet de bedoeling is. En dat kan het kind de volgende dag maar beter onthouden hebben, want jij weet nog wèl dat je hem gisteren drie keer gewaarschuwd hebt. En je geduld raakt natuurlijk een keer op…
Een groot deel van de ‘gedragsproblemen’ vermindert of verdwijnt als het leerkrachtgedrag verandert. Leerkrachtgedrag heeft veel invloed op gedrag van kinderen. Eigenlijk weet elke leerkracht dat. Waarom doet Noah wel vervelend bij mij, maar niet bij de leerkracht van vorig jaar? Het is dezelfde Noah en als er niets geks is gebeurd, zou het toch wel eens met mijn eigen gedrag te maken kunnen hebben. Waarom hebben sommige leerkrachten minder problemen dan anderen met ‘moeilijke’ kinderen? Het loont dus echt om naar je eigen gedrag te kijken en zo te kijken wat jij aan preventie kunt doen.
Er is nog een argument: Stel dat het kind lastig gedrag vertoont. Dat ligt niet aan jou, niet aan thuis, het ligt echt aan het kind. Wat je ook probeert, het gedrag verandert niet. Bedenk dan eens of je jouw gedrag tóch niet moet veranderen, omdat jij wèl in staat bent dat te doen en het kind niet. Dit kan het begin van een oplossing zijn.
‘Ik was onbereikbaar als leerling.’ ‘Hoe hadden ze jou wel kunnen bereiken?’ ‘Door heel erg in te zetten op de relatie.’
Milo van de Kamp, auteur ‘Misschien moet je iets lager mikken.’
Verderop kun je lezen over goed klassenmanagement. De basis voor alles is de goede relatie met je leerlingen. Veel gedragsproblemen komen door de moeizame relatie tussen leerkracht en leerling. Een goede relatie voorkomt en vermindert probleemgedrag.
Let op: je hoeft geen vrienden met je leerlingen te zijn! Leerlingen houden van een leerkracht die kalm en vriendelijk blijft, duidelijke regels heeft en goed kan uitleggen. ‘Streng’ zijn is dus niet erg. Zet dus allereerst in op de relatie met kinderen (Pianta, 2012; Horeweg, 2021; Perry, 2021).
Klassenmanagement gaat over het goed inrichten van je leeromgeving, je leerkrachthandelen, regels en routines, die ervoor zorgen dat er een veilig leef- en leerklimaat ontstaat, waarin je les kunt geven en kinderen tot leren komen. Goed klassenmanagement voorkomt veel probleemgedrag (Horeweg, 2021; 2024) en zorgt voor effectief lesgeven (Hattie, 2003, 2023).
Zorg voor duidelijke regels, leg ze uit en oefen ze (Horeweg, 2020; 2021; 2024). Zorg ervoor, dat je als leerkracht voorspelbaar bent. Vertel wat je gaat doen en doe dit dan ook. Reageer en handel zo consequent mogelijk. Afspraak is afspraak en als iemand zich daar niet aan houdt, is het jouw taak daar wat aan te doen. Geldt een afspraak (soms) niet voor iedereen, dan moet je dat goed uitleggen.
Geef duidelijke gedragsinstructies. Vertel telkens vooraf wat je van kinderen verwacht. Dit noem je gedragsverwachtingen. Vooraf duidelijk zijn, zorgt dat je niet achteraf hoeft te mopperen.
Voorbeeld: ‘Ga nu eens beginnen!’ is géén gedragsinstructie. ‘Begin met som 1 en werk even vijf minuten geconcentreerd en in stilte’ is al duidelijker.
Tip: Lees een gesprek van Anton Horeweg & Trix van Lieshout over gedrag (AOb, maart 2024) |
In het algemeen zijn er een aantal punten die preventief werken op gedragsproblemen.
Om de kans te vergroten op positieve groepen, kan er aan de hand van schoolbrede en preventieve programma’s gewerkt worden aan een positief leer- en leefklimaat. Ook een schoolbrede aanpak van gedrag is helpend (Horeweg, 2023; 2024). Een sterke gedragscultuur is een gedragscultuur waar leerkrachten een gezamenlijke, schoolbrede aanpak voor gedrag hebben ontwikkeld.
Een ‘veilige groep’ voorkomt veel gedragsproblemen. Hoe kun je jouw groep met behulp van deze kennis opbouwen tot positieve, goed werkende groep?
Een veilige groep is de basis van leren. In deze korte training krijg je kennis over groepsvorming, groepsnormen en een positieve sfeer in de klas.
📘 Inclusief het boek: Voorkom lastig gedrag.
👉 Bekijk de training →
Samenhangende teamafspraken helpen om de school en klassenomgeving voorspelbaar te maken. In deze trainingsbijeenkomst ontwikkel je met het hele team het begin van een gedeelde, gezamenlijke aanpak voor gedragsontwikkeling en preventie van probleemgedrag.
📘 Inclusief het boek: Voorkom lastig gedrag.
👉 Bekijk de training →
Hebben jullie al eerder een studiedag gevolgd en is er behoefte aan reflectie, herhaling of fine-tuning? Vraag dan een verdiepend vervolg aan, afgestemd op jullie vragen.
📌 Op maat samengesteld na een korte Teams-afspraak.
👉 Bekijk de mogelijkheden →
Een structurele aanpak van sociaal en emotioneel leren kan bijdragen aan een goed werkklimaat (Durlak, 2011; van Overveld, 2019; Horeweg, 2021). Programma’s om aandacht aan SEL en (pest)gedrag te besteden zijn o.a. Kiva, Kanjertraining, Leefstijl, Levensvaardigheden, Vreedzame school, Rots en Water, Move-Ahead 1+ 1 =3, Taakspel en Positive Behaviour Support.
In de Databank effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) vind je informatie over de effectiviteit van deze programma’s. Je kunt ook zelf een leerlijn opzetten. De programma’s alleen zijn niet genoeg: Het didactisch en pedagogisch vakmanschap van de leraar is op zijn minst even belangrijk (Kennisrotonde, 2023). Met elkaar omgaan, praten over emoties: dat leer je allemaal niet vanzelf. Er zijn veel methodes op dit gebied. Ik noem: Kwink, Vreedzame school en Kanjertraining. SEL is echter meer dan het uurtje Kwink op donderdagmiddag. SEL moet verweven zijn in je doen en laten in de klas. SEL zorgt voor positieve groepen.(van Overveld, 2017, 2024). Positievere groepen zorgen voor betere leerprestaties (Madigan, 2021; Horoz, 2024). SEL moet naar mijn mening in de dag verweven zijn. Wacht dus niet tot de volgende SEL-les als er iets niet goed loopt, maar neem meteen de tijd dit aan te kaarten.
Meer lezen:
Boeken met ideeën zijn: De groepscode, Grip op de groep en De gouden weken 2.0 en De zilveren weken, aanraders. Voor het Voortgezet onderwijs is er Een goede start in jouw mentorklas. Daarin vind je onder andere groepsvormende spelvormen.
De regels zijn goed afgesproken, goed en regelmatig geoefend en door iedereen begrepen, maar toch komen er (uiteraard) overtredingen van die regels voor. Als leerkracht geef jij de grenzen telkens van te voren aan (gedragsinstructie vóóraf) en bewaak je die grenzen. Je leert kinderen die grens te respecteren. Dat is dus meer dan de grens handhaven: je leert ze waarom die grens nodig is en helpt ze bij jouw grens te stoppen. Bij vermeende overschrijding van jouw grenzen kun je de volgende zaken bekijken:
Bij probleemgedrag kun je gemakkelijk in een valkuil terecht komen: ‘Dit kind zit altijd te praten. Dit kind heeft nooit zijn werk af.’ Omdat gedragsproblemen een aanval lijken op jou als leerkracht, speelt emotie logischerwijs soms een behoorlijke rol. Het blijkt dat veel leerkrachten bij probleemgedrag gaan twijfelen aan hun eigen capaciteiten. Zelfs al hebben ze al jaren laten zien, dat er met die capaciteiten niets mis is. Om te voorkomen dat er een vertekend beeld ontstaat over de problemen, kun je kijken met zo objectief mogelijke ‘instrumenten.’ (Horeweg, A. 2015; 2017; 2021; 2024).
Om een zo objectief mogelijk beeld te krijgen kun je de volgende vragen proberen te (laten) beantwoorden. Het woord ‘laten’ staat er niet voor niets. Soms kun je beter iemand ‘van buiten’ laten kijken. Uiteraard zijn er ook argumenten te bedenken waarom je beter zèlf kan kijken. Dit moet je voor jezelf uitmaken. Je kunt in ieder geval de volgende dingen proberen te achterhalen met de Criteria van Rutter (Rutter, 1975):
Als je de gedragsproblemen in kaart hebt gebracht, kun je jezelf een aantal dingen afvragen:
Aan de hand van deze korte analyse kies je het probleem uit dat je wilt veranderen. Hiermee ga je aan de slag. Houd daarbij de volgende richtlijnen aan:
Als je bepaald hebt wat je wil bereiken, kun je bepalen welke interventietechnieken je wilt gebruiken. Dit zijn van te voren bepaalde manieren waarop je met het probleemgedrag om zult gaan. Versterken van doelgedrag is ideaal.
Als het doel is twintig minuten blijven zitten en doorwerken, beloon je het kind voor elk stapje in de goede richting, bijvoorbeeld 3 minuten rustig aan het werk zijn. Stel het doel in overleg met het kind; wat denkt het kind dat haalbaar is? Je kunt best een beetje sturen, maar zorg dat het kind gelooft in de haalbaarheid. Als drie minuten gehaald is, stel dan vijf minuten als eis. Gebruik beloningen spaarzaam, sociale versterkers en feedback werken beter. Het gevaar bestaat dat kinderen alleen voor de beloning gaan werken (Kohn, 2018). Bij heel jonge kinderen werken beloningen beter. Gewenst gedrag vormt zich alleen als het bekrachtigd wordt. De volgorde is dus eerst gedrag stoppen, nieuw gedrag aanleren, oefenen en bekrachtigen.
Interventies om ongewenst gedrag te verminderen
Vergeet niet dat voor het uitvoeren van een gedragsplan instemming nodig is van ouders. Vanaf 1 januari 2025 is de Wet Versterking positie ouders en leerlingen in passend onderwijs ingegaan. Elk SWV moet vanaf 1 januari 2025 een ouder- en jeugdsteunpunt hebben.
Per 1 augustus 2025 krijgen leerlingen hoorrecht over het ontwikkelingsperspectief en moet het ondersteuningsaanbod in de schoolgids worden opgenomen. Bekijk de infographic
Hulpmiddelen
Kids Skills: Een mogelijke aanpak is de Kids Skills-methode (Furman, 2006). Deze methode gaat er vanuit, dat het kind bepaalde vaardigheden niet bezit om adequaat gedrag te vertonen. Kids Skills probeert daar stapsgewijs, samen met het kind verandering in te brengen. In een gesprek met het kind bepaal je samen een aan te pakken stukje van het gedrag. Van wie heeft het kind hierbij hulp nodig? Een vriendje? De hele groep? De leerkracht? Stel een reëel doel en bepaal consequenties bij het wel of niet behalen.
Gedragscontract: Hierbij wordt met het kind een bindende afspraak gemaakt, die ook consequenties heeft. Nu heeft gedrag altijd consequenties, maar sommige daarvan zijn ongewild en voor het kind ook nog vaak ‘onvoorzien.’ Met het gedragscontract wordt dat laatste in ieder geval getackeld. Gedragsverandering heeft tijd nodig en (tijdelijke) terugval is normaal. Vaak is het een kwestie van stug volhouden. Probeer de zakelijke toon vast te houden waarmee je aan het traject begon. Houd je aan de afspraken en houd ook het kind daaraan.
Soms zijn er kinderen waar al ‘alles’ mee geprobeerd is, maar ze blijven volharden in hun gedrag. Zij hebben geen problemen, de anderen, die hebben problemen. Die anderen zijn namelijk de oorzaak van alles. Zij doen niets verkeerd. Ze zijn allang immuun voor alle straffen en preken. Kortom: ze zijn ‘onbereikbaar’ voor jou.
Kinderen die een dergelijke houding hebben, moet je in beweging zien te krijgen. Een methode die hiervoor geschikt kan zijn is oplossingsgericht werken (De Shazer, 2006). Door middel van oplossingsgerichte gesprekken kun je proberen om, zonder een schuldige aan te wijzen of een oorzaak te zoeken, proberen de situatie te veranderen. Voor literatuur hierover kun je kijken op de literatuurlijst elders op deze site.
Soms is het gedrag van kinderen dermate storend voor klasgenoten of voor jou, dat het lesgeven erbij inschiet. Aangezien alle kinderen recht hebben op ‘ongestoord kunnen leren’, is er dan een probleem. Het kan zijn dat je daarom kiest voor straffen. Straffen wil zeggen: je richt je op een behaviouristische manier op ongewenst gedrag. Wat er achter zit, is even niet meer van belang. Het gedrag moet stoppen. Het is een laatste redmiddel, waar je spaarzaam mee om moet gaan en het liefst moet vermijden, maar soms lijkt het als enige alternatief over te blijven. Bedenk dan het volgende:
Ongewenst gedrag stopt misschien even op het moment dat je straf geeft, maar het gedrag komt zeker terug. Soms escaleert gedrag meteen als je de straf aankondigt. Soms zelfs in ernstiger vorm. Die spiraal zie je vaak als ‘vervelende’ kinderen straf krijgen, later nog vervelender worden, nog meer straf krijgen en wéér vervelender worden, tot de situatie escaleert. Als je toch straft:
Houd bij straf altijd rekening met leeftijd, intelligentie en omstandigheden waarin het kind verkeert. Dat is niet hetzelfde als dus alles goedvinden! Ga (als je dat al niet deed) in gesprek met het kind. Een gesprek, bijvoorbeeld na schooltijd is óók een consequentie. In gesprek gaan is niet een preek van jou. Kinderen die vaker de fout in gaan, zijn al lang immuun voor dat soort ‘gesprekken’ en zullen op alles ja en amen zeggen om van het gezeur af te zijn. Herstel bovendien na de straf de relatie met het kind zo snel mogelijk. Het kind moet merken dat het zelf oké is, maar zijn gedrag dat niet is. Over herstel gesproken: je kunt ook herstelrecht toepassen. Hierover lees je meer in:
Als je dat te soft vindt is er :
Aan alles zit een grens. Praten met kinderen over wat er verkeerd ging is goed, maar sommig gedrag kan écht niet. Je moet dus helder hebben, wat er gebeurt als een leerling jou uitscheldt, een klasgenoot in elkaar slaat, je lokaal sloopt, iemand bedreigt, een stoel wil gooien, met een mes op school komt, enz. Dat klinkt extreem, maar komt voor. Wat doe je als school dan? Dit mag niet leerkracht afhankelijk zijn, maar moet een team-afspraak zijn. Bedenk daarbij: Wat is ons doel? Wat is de procedure? (ouders op school halen, kind uit de klas of niet? Enz.).
Het komt voor. Er is van alles geprobeerd, maar niets helpt. Dat is niemands schuld. Het kan zijn dat de school geen passend programma en/of een passende aanpak kan bieden. Het kind moet dan verwezen worden naar sbo of so. Volg daarvoor de procedures die jouw school heeft afgesproken.
Er zijn kinderen die het op school niet redden. Het systeem is niet flexibel genoeg om het betreffende kind passend onderwijs te geven. Een paar voorbeelden zijn: een schooldag zorgt voor teveel prikkels, het didactisch aanbod is lange tijd onvoldoende, voor het kind is de school een angstige plek, enz. Dit overkomt hoogbegaafde kinderen met autisme nogal eens. Ondanks de vaak goed bedoelende mensen om het kind heen, verharden dan soms de standpunten. Onderschat dit probleem niet: er zijn maar liefst 70.00 thuiszitters (Oudervereniging Balans, 2024).
Thuiszitters: vaak internaliserend gedrag!
Belangrijk om te vermelden: Thuiszitters (is schooluitvallers een beter woord?) zijn bijna nooit kinderen met externaliserend gedrag. Dat werd lange tijd gedacht (en misschien nog wel hier en daar), maar thuiszitters zijn veelal kinderen met internaliserend, angstig gedrag, soms gecombineerd met een stressvolle thuissituatie (Kohnstamm Instituut, 2020). Die heeft overigens vaak te maken heeft met het feit dat het met het betreffende kind al lange niet goed gaat op school (Ouders krijgen dan soms te maken met Leerplicht, Jeugdzorg en zelfs justitie, wat begrijpelijkerwijs stress oplevert). Over de toestand waarin sommige kinderen verkeren door voor hen zeer ingrijpende gebeurtenissen op school, heb ik als eerste in ons land (voor zover ik weet) de term ‘schooltrauma’ gebruikt (Horeweg, 2018). Inmiddels begint de term ingang te vinden. Het is aannemelijk dat veel kinderen die thuiszitten getraumatiseerd zijn
Het is belangrijk om samen te werken met ouders vanaf dag één. Uiteraard maak je kennis met ouders aan het begin van schooljaar. Als er problemen met een kind zijn, nodig dan altijd meteen de ouders uit om je zorgen te delen. Ouders willen graag goed op de hoogte blijven. Als je handelingsplannen gaat maken, moet je de ouders betrekken. Hoe je met ouders in gesprek kunt, lees je in van Essen, I. & Horeweg, A. (2023). In gesprek met ouders. Een positieve relatie tussen school en thuis. 4e druk. Leuven: Lannoocampus.
Meer boeken over gedrag, didactiek en schoolontwikkeling
Alle literatuur van deze site zien? Klik op literatuur.
Nieuwsgierig naar meer mooie onderwijsboeken van Anton Horeweg? Klik op Onderwijsboeken
Bukowski, W.M., Larsen, B., & Rubin, K.H. (2018). Peer relations: past, present nd promise. In W.M. Bukowski, B. Laursen, K.H. Rubin (eds.). Handbook of peer interactions, relationships and groups (pp. 3-23). New York, NY: Guilford Press.
Dokman, I., Van Beusekom, R., Oldeboom, B., Pepping-Poot, A., Van Beusekom, R., & Wissink, J. (2018). Ik in de wij. L&Ving Factory.
Durlak, J. A., Weissberg, R. P., Dymnicki, A. B., Taylor, R. D., & Schellinger, K. B. (2011). The impact of enhancing students’ social and emotional learning: A meta-analysis of school-based universal interventions. Child Development, 82(1), 405-432.
van Engelen, R. (2022). De groepscode. Zó werk je met groepen! Huizen: Pica.
van Engelen, R. (2014). Grip op de groep. Baarn: Bekadidact.
van Engelen, R. (2011). Bouwen aan je groep. ThiemeMeulenhoff.
Essen, I. (2019). Communicatie zonder frustratie in het onderwijs. Tielt: Lannoocampus.
Farmer, T.W., Hamm, J.V., Dawes, M., Barko-Alva, K. & Cross, J.R. (2019). Promoting inclusive communities in diverse classrooms: teacher attunement and social dynamics management, Educational Psychologist, 54(4), 286-305.
Horeweg, A. (2023). Ongewild lastig. Huizen: Pica.
Horeweg, A. (2021). Handboek Gedrag op school. 2e druk. Huizen: Pica.
Horeweg, A. (2020). Voorkom lastig gedrag. Wat kun jij als leerkracht aan preventie doen? 2de druk, Huizen: Pica.
Horeweg, A. (2015). Gedragsproblemen in de klas in het basisonderwijs. Tielt Lannoocampus. Niet meer verkrijgbaar.
Horeweg, A. (2017). Gedragsproblemen in de klas in het voortgezet onderwijs. 11de druk, Houten: Lannoocampus. Niet meer verkrijgbaar.
Horeweg, A. (2017) Wat stuitert daar door je klas? Houten: Lannoocampus.
Horner, R. Check in check out in Positive Behaviour Support. Huizen: Pica.
Horoz, N. (2024). Towards a more holistic understanding of inequalities in childhood: A multi-context approach
to parental education and child development. [PhD-Thesis – Research and graduation internal, Vrije Universiteit
Amsterdam]. https://doi.org/10.5463/thesis.834
De Laet, S., Doumen, S., Vervoort, E., Colpin, H., Van Leeuwen, K., Goossens, L. & Verschueren, K. (2014). Transactional links between teacher-child relationship quality and perceived versus sociometric popularity: a three-wave longitudinal study. Child Development, 85, 1647-1662.
Madigan, D. J., & Kim, L. E. (2021). Does teacher burnout affect students? A systematic review of its association with academic achievement and student-reported outcomes. International Journal of Educational Research, 105, 101714. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/j
Minderhout, M. (2024). in de context is iedereen aanzet. Onze Jeugd.nu, nr 5, juni 2024, p. 4-6.
Nus, W. van (2024). Geweldloos verzet op school. Een nieuwe kijk op gedragsproblemen. Huizen: Pica.
van Overveld, K. (2024). SEL. Sociaal emotioneel leren als basis. Huizen: Pica.
Rutter, M. (1975). Helping troubled children. London: Plenum Press.
De Swart, F., Burk, W. J., Nelen, W. B., & Scholte, R. H. (2020). Peer Preference, Perceived Popularity, and the Teacher–Child Relationship in Special Education. Remedial and Special Education, https://doi.org/10.1177%2F0741932519887506
Visser, A. (2018). Meidenvenijn in het voortgezet onderwijs. Preventie en aanpak. Huizen: Pica.
Visser, A. (2018). Meidenvenijn in het basisonderwijs. Preventie en aanpak. 2de druk. Huizen: Pica.
Hulpverlening: feiten en cijfers. https://keepintouch-hulpverlening.nl/feiten-en-cijfers/ Verkregen op 30-12-2023.
RTL Nieuws, 5 april 2023. https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/politiek/artikel/5376089/school-thuiszittende-kinderen-hulp-thuiszitters-initiatieven
next