NLD: Non-verbal Learning Disabilities

Sommige kinderen praten als de beste, maar leren vrij moeilijk op school. Ze hebben problemen met ruimtelijk inzicht en oorzaak-gevolgrelaties. Vaak wil daarom rekenen of begrijpend lezen niet vlotten. Ze zijn onhandig en houterig, waardoor gym en sport vaak moeizaam gaan. Ze hebben vaak een rigide denkpatroon en passen zich moeilijk aan nieuwe situaties aan. Hun fijne motoriek is ook niet geweldig, wat je terugziet in hun bijna onleesbare handschrift. Het sociaal inzicht is vaak mager. Soms hebben ze dan ook moeite met het maken van vrienden. Het werktempo van deze kinderen ligt laag, waardoor ze moeite hebben om het tempo op school bij te houden. Hun verbale IQ is significant hoger dan hun performale IQ, wat wil zeggen dat ze alles prima kunnen verwoorden, maar dat ze dingen vaak moeilijk in hun schrift krijgen. Sinds kort weten we wat deze kinderen hebben. Ze hebben NLD. Non-verbal Learning Disability. NLD is een neuropsychologische ontwikkelingsstoornis, die zijn oorsprong vindt in de rechter hemisfeer van de hersenen.

Kinderen met NLD worden vaak niet herkend, omdat hun verbale vaardigheden zo goed zijn. jonge kinderen met NLD worden vaak in eerste instantie als kinderen met ADHD geclassificeerd. In het algemeen geldt dat de moeilijkheden van deze kinderen groter worden, naarmate ze ouder worden.

NLD_gedragsproblemenindeklas_nl

De sterke kanten van deze kinderen zijn:

  • Vroegtijdige ontwikkeling van de spraak en de woordenschat.
  • Opmerkelijk sterk geheugen; iets uit het hoofd leren gaat uitstekend.
  • Scherp oog voor details.
  • Vroegtijdige ontwikkeling van leesvaardigheden en uitstekende spellingsvaardigheden.
  • Sterk auditief geheugen; ze luisteren graag naar alles wat verteld wordt. Ze kunnen dit ook heel goed onthouden.
  • Goed in technisch lezen.
  • Deze kinderen hebben een ruime woordenschat.
  • Kinderen met NLD zijn auditief (horend) erg gevoelig. Alle geluiden komen sterker bij hen binnen.
  • Zelfdiscipline.
  • Doorzettingsvermogen.

veters

De zwakke kanten van deze kinderen zijn:

  • Een matig tot slecht organisatorisch vermogen.
  • Matige studievaardigheden.
  • Ze hebben moeite met samenvattingen maken, omdat ze hoofd- en bijzaken niet kunnen scheiden.
  • Ze hebben moeite met abstract denken.
  • Moeite met het zien van verbanden.
  • Moeite met classificeren (in categorieën onderbrengen).
  • Ze hebben geen goede probleemoplossingvaardigheden.
  • Hun sociale vaardigheden zijn niet goed ontwikkeld.
  • Een onhandige, houterige grove motoriek.
  • Veel “gekke” ongelukjes.
  • Problemen met de fijne motoriek (pengreep, veters strikken, hanteren van mes en vork etc.).

Handschrift_20vb_20goede_20distale_20motoriek

  • Slechte oog-hand-coördinatie.
  • Moeite met het vak topografie, omdat dit veel ruimtelijk inzicht vergt.
  • Een spraakontwikkeling die vrij laat op gang komt (eenmaal op gang gekomen is de spraak goed; wel kunnen er uitspraakproblemen zijn en eigenaardigheden, zoals bijvoorbeeld echoën, herhalingen en een monotone spraak).
  • Problemen met inzichtelijk rekenen (mechanisch rekenen wordt wel aangeleerd).
  • Traagheid, onzekerheid in het werk. Het kind komt vaak langs om naar de voor anderen bekende weg te vragen.
  • Moeite met het aanleren van routines. Beheerst het kind ze eenmaal, dan zitten ze er ook goed tot extreem goed in.
  • Passief gedrag.
  • Angst voor ongewone sociale situaties.
  • Onverklaarbare uitingen van woede en angst.
  • Moeite met herkennen van niet-verbale signalen (gebaren, gelaatsuitdrukkingen).
  • Problemen met het overzicht, bijvoorbeeld in de gymzaal en het zwembad.
  • Snel verdwalen.
  • Gevaarlijk gedrag in het verkeer.

Wat kun je doen in je (kleuter)klas?

  • Het is belangrijk dat je handelingen, situaties en opdrachten altijd verbaal ondersteunt. Deze kinderen verkennen hun omgeving door middel van verbale taal.
  • Om het kind de onoverzichtelijke omgeving beter te laten begrijpen, is het belangrijk dat je met jonge kinderen bespreekt wat en waarmee ze gaan spelen en dat je ze stap voor stap begeleidt.
  • Daar de omgeving voor sommige kleuters erg bedreigend overkomt, is het belangrijk dat er in de klas een veilige ruimte wordt ingericht waar het kind zich kan terugtrekken.
  • Meervoudige opdrachten zijn dikwijls onoverzichtelijk. Geef een opdracht altijd aan in kleine stapjes. Maak eventueel gebruik van de Beertjes van Meichenbaum om de kleuter stapsgewijs te leren denken over en werken aan opdrachten.
  • Als je gebruik maakt van een takenbord zorg ervoor dat de aangeboden activiteiten ook op zijn/haar niveau aangeboden worden.
  • Heb oog voor mogelijke non verbale signalen van angst. Tracht deze te ondervangen en maak ze bespreekbaar.
  • Ook op sociaal vlak hebben deze kleuters het moeilijk. Het is belangrijk dat je als begeleider extra werkt aan de sociaal – emotionele ontwikkeling. Ook hier geldt de gulden regel: altijd verwoorden en verklaren van eigen belevenissen en gevoelens.
  • Op schrijfmotorisch vlak is het noodzakelijk om groot te werken. Bladen van het formaat A3 en zelfs indien mogelijk A2, zijn goed te gebruiken, evenals je digibord. Gebruik ook dik schrijfmateriaal zoals kleurknotsen.
  • Maak gebruik van een gerichte voorbereidende schrijfmethode zoals Schrijfdans van Ragnild Oussoren – Voors.
  • Psychomotorisch zijn er vaak problemen. Deze kinderen gaan activiteiten waarin beweging belangrijk is, soms uit de weg. Observeer de kleuter nauwkeurig, moedig hem/haar aan mee te doen met al deze activiteiten.
  • Allerlei constructiespelen (zoals playmobile, Knex, lego), maar ook tekenen, kleuren en 2-dimensionaal werken, worden door kleuters met NLD vaak vermeden. Moedig hen aan dit soort materiaal te gebruiken: speel desnoods samen met hen of leer hen bijvoorbeeld stapsgewijs een bouwwerk te maken.
  • Bij schoolrijpheidstesten is het belangrijk dat je de aangeboden werkbladen vergroot aanbiedt, zodat de kleuter niet verloren raakt in de onoverzichtelijkheid van het testblad omdat er teveel informatie op staat.
  • Schakel de onderwijsadviesdienst in voor gerichtere observatie en mogelijke verwijzing naar gespecialiseerde diensten welke kleuters met problemen uitgebreid kunnen testen.
  • Blijf het kind positief bevestigen. Sommige kleuters ervaren de wereld zo moeizaam dat dit al snel een negatieve invloed heeft op hun zelfbeeld.
  • Om de kleuter te helpen zijn eigen kapstok te vinden is het dikwijls niet genoeg om deze enkel aan te duiden met een foto of pictogram. Belangrijk is ook de plaats van kapstok. De kleuter heeft het moeilijk om zijn eigen kenteken terug te vinden tussen al de andere kentekens. De oplossing: geef de kleuter een kapstok aan het begin of het einde van de rij. Dan wordt de afleiding door overdaad aan andere kentekens beperkt.

Vanaf groep 3:

Vanaf groep 3 krijgt het kind te maken met de leervakken. Om daarin zo goed mogelijk te begeleiden, volgen hieronder een aantal handreikingen. Besef goed, dat niet alle tips bij elk kind werken.Elk kind is immers uniek en heeft zijn “eigen beperkingen.”

gedragsproblemenindeklasnld

Vakoverschrijdende tips:

  • Start het schooljaar liefst vanuit een klassieke klasopstelling. Dus zet alle kinderen frontaal naar het bord gericht. Zo beperk je mogelijke afleidende prikkels. Bij deze klasopstelling is het voor een kind met NLD overzichtelijker om jou te volgen. Geef het kind ook een plaatsje voorin, dicht bij jou. Op die manier kun je het kind met een klein teken of signaal bij de les betrekken als je merkt dat de aandacht verslapt.
  • Deze kinderen hebben lang nodig om te wennen in het nieuwe schooljaar, vaak wel tot aan de herfstvakantie. Zelfs als ze jou het jaar ervoor ook hadden.
  • Kinderen met NLD houden niet van veranderingen. Maak de omgeving dus zo voorspelbaar mogelijk en bespreek veranderingen van te voren met het kind.
  • Een (zichtbaar) dagritme pakket in je groep is voor deze kinderen een grote steun.
  • Als het kind geen last heeft van concentratieproblemen is het, in tegenstelling tot bijv. kinderen met ADHD, soms beter een kind met NLD in het midden van de klas te plaatsen. Zo kan het echt deel uitmaken van de groep. Omwille van de sociale problemen is het kind namelijk vaak geïsoleerd van de groep. Bovendien is het kind soms trager in het reageren op instructies en kan zo snel bij de andere kinderen kijken.
  • Leer het kind in welke richting wordt gewerkt en gelezen in groep 3. Visualiseer links en rechts door gebruik te maken van bijvoorbeeld een groene bol voor links en een rode bol voor rechts. Hang deze duidelijk op vooraan in de klas en ook op de werktafel van de leerling. Groen staat voor start en rood staat voor stop. Verwoord zeker in het begin ook deze gekleurde bollen en de werkrichting bij alles wat je doet.
  • Leer het kind aan, dat het enkel dat materiaal op de tafel legt dat het bij die les nodig heeft. Alle overbodige materialen worden opgeborgen.
  • Besef dat het automatiseren bij het kind veel meer tijd vraagt. Dat geldt zowel voor schoolse vaardigheden als voor andere vaardigheden.
  • Als ondanks alle signalen en begeleiding de druk op de ketel te groot wordt, doe dan een stapje terug. Beperk het aantal te maken oefeningen, zodat het kind weer aan leren toekomt. Als het kind huiswerk heeft, stop dat dan voorlopig.
  • Check op regelmatige tijdstippen of het kind nog bij de les is. Je kan met het kind een signaal afspreken om de aandacht weer bij de les te krijgen. Maak gebruik van (gesproken) taal om dingen te verduidelijken die voor leeftijdsgenoten vanzelfsprekend zijn.
  • Gebruik veel verbale ondersteuning door het stap voor stap aanbieden van instructie en het geven van feedback.
  • Doe tijdens de instructie éérst het praatje, dan het plaatje en niet gecombineerd, zoals je gewend bent.
  • Gebruik eenduidige concrete taal, zonder versierselen.
  • Maak gebruik van de sterke verbale kwaliteiten van deze kinderen om bijvoorbeeld anderen te helpen bij die vakken waar anderen het moeilijk hebben.
  • Gezien de voortdurende behoefte om te praten en om te vermijden dat daardoor de les teveel wordt gestoord, is het goed om op voorhand één of meerdere vaste momenten per dag in te bouwen waarop de het kind zijn verhaal kwijt kan. Deze momenten zullen bij een jonger kind gedurende de dag regelmatiger moeten ingebouwd worden dan bij de oudere kinderen.
  • Een kind met NLD weet, als gevolg van zijn zwakke kennis over sociale gedragsregels, niet altijd wanneer het past om iets op te merken of te vragen.
  • Maak een prikkelarm hoekje voor het kind, waar het zich kan terugtrekken als het wil.
  • Zorg ervoor dat je niet teveel schrijftaken geeft. De computer is een goed alternatief.
  • Gebruik stappenplannen en kijkwijzers.
  • Beperk de hoeveelheid oefeningen. Beter enkele gerichte en duidelijke oefeningen dan extra grote hoeveelheden.
  • Ouders zijn belangrijke partners in het schoolgebeuren. Heb oog en oor voor hun bezorgdheid, zelfs al lijkt die jou overdreven. Erken hen in hun professionaliteit. Zij zijn de eersten die aan hun kind merken, wanneer het teveel wordt. Het kind zal misschien thuis probleemgedrag vertonen, terwijl jij dit niet merkt op school.
  • Het komt nogal eens voor dat kinderen met NLD zich op school groot houden en dat de ontlading thuis plaatsvindt!
  • Schakel (indien mogelijk) ook de ouders in om samen met het kind leerstof te systematiseren. Bijvoorbeeld het inoefenen van spellingsregels.
  • Bij toetsen heeft het kind door de zwakkere schrijfmotoriek meer tijd nodig.
  • Bied ook aangepaste werkbladen aan. Vergroot de werkbladen en zet niet teveel informatie of oefeningen op één blad.
  • Lees de opdrachten of oefeningen eventueel voor. Liefst deel voor deel.
  • Geef het kind de kans om na een toets of examen mondeling het geschrevene te verklaren. Hun gedachten op papier zetten gaat vaak moeizaam, terwijl ze wel de antwoorden weten.
  • Stel ook feitenvragen. Inhoudelijke vragen zijn dikwijls te moeilijk.
  • Is het handschrift echt onleesbaar, bekijk dan samen of het mogelijk is om toetsen op een computer te laten maken.
  • Schakel ook de computer in bij het maken van werkjes en spreekbeurten. Het kind kan zo zelf werken met een spellingscontrole en een goed leesbaar werkstuk afgeven.
  • Respecteer het routinematige gedrag van het kind.

Welk instructiemodel kun je gebruiken:

  1. Voordoen: Je doet hardop voor hoe je de taak aanpakt. Je toont dit dus in woord en daad. Het kind kijkt en luistert alleen. Veel vertellen helpt.
  2. “Samen” samendoen: Zowel jij als het kind voeren de taak uit. Ieder voor zich, tegelijkertijd. Beiden vertellen hardop wat ze doen. Het kind volgt de leerkracht en neemt zo de strategie eigenlijk over.
  3. “Afzonderlijk” samendoen: Het kind voert de handelingen uit en verwoordt ze hardop. Jij als leerkracht doet nog wel mee, maar zegt niets. Het kind kan eventueel terugvallen op steun van de leerkracht.
  4. Hoorbaar nadoen: Het kind voert de handelingen nu zelf uit. De oplossingstrategie wordt gefluisterd. Het verwoorden gaat steeds kernachtiger.
  5. Onhoorbaar nadoen: Het kind voert de taak nu zelf uit en praat hooguit in zichzelf. De instructie is nu zelfinstructie geworden.

rekenen1

Tips bij het vak rekenen:

  • Visualiseer de bewerkingstekens. Daar wordt mee bedoeld dat je elk teken een kleur geeft. Bijvoorbeeld + of – of of x . Voer dit geleidelijk in vanaf de allereerste rekenles en streef ernaar dat de leerling dit uiteindelijk zelfstandig en automatisch doet ook bij huiswerk.
  • Bied getalbeelden altijd op dezelfde manier aan. Begin niet met het leren tellen en rekenen aan de hand van allerlei realistische rekenmethodes met verschillende rekenmaterialen zoals rekenstaafjes, blokjes, enz.
  • Besef dat de leerling meer baat heeft bij het leren rekenen door gebruik te maken van de naakte cijfers en koppel dit aan één en hetzelfde getalbeeld. Zorg er ook voor dat het aan te leren getal altijd deel uitmaakt van het geheel. Koppel het getalbeeld aan de getallenlijn of laat werken met een telraam.
  • Om de leerling wegwijs te maken in de honderdtallen, tientallen, eenheden, enz. kun je gebruik maken van positieschema’s.(D,H,T,E,t,h,d) Besef dat deze leerlingen meer dan de anderen dergelijke tabellen nodig hebben, maar ook meer moeite hebben om er mee te leren werken.
  • Als het hoofdrekenen niet lukt, steek dan geen overbodige energie in remediëren en eindeloos inoefenen, maar leer de leerling werken met een rekenmachine.
  • Leren (automatiseren) van tafels van vermenigvuldiging kan sterk vertraagd zijn of helemaal niet lukken. Geef deze kinderen een tafelkaart.
  • Laat eventueel werken in een schrift met ruitjes van 1 bij 1 cm. Gewone commerciaalruitjes zijn te klein.
  • Een honderdveld of een abacus werkt niet voor deze kinderen. Door het gebrekkig ruimtelijk inzicht van deze kinderen scheppen ze juist verwarring.
  • Laat het kind regelmatig uitleggen hoe het de sommen oplost. Door middel van taal wordt het kind gedwongen na te denken over de rekenhandeling.

faalangst_gedragsproblemen_in_de_klas

Tips bij de vakken schrijven lezen en taal:

  • Vergroot in het begin de schrijflijnen zodat de leerling, die het moeilijk heeft om zich te oriënteren op het blad en daar bovenop ook motorisch zwakker is, ruimte heeft om de schrijfbewegingen te oefenen.
  • Bij het oefenen van de schrijfpatronen, je kunt beter eerst 3 x een patroon laten schrijven, dan de motivatie weg te nemen door een blad met 40 x een schrijfpatroon aan te bieden.
  • Gebruik de computer in plaats van veel schrijven.
  • Overschrijven van het bord is een zware opgave! Deze kinderen hebben immers een visueel-ruimtelijk probleem. Op het bord kijken en de goede plek op hun blaadje terugvinden is een moeilijke klus. Huiswerk in de agenda invullen levert dezelfde problemen op.
  • Begrijpend lezen kan problemen opleveren. De reproducerende vragen hoeven geen probleem te zijn, maar “tussen de regels doorlezen” is vaak wel een probleem.
  • Taalbeschouwing levert problemen op; implicite regels die andere kinderen “automatisch” aanleren, zijn voor deze kinderen niet altijd duidelijk. Ook de verschillende benamingen voor dezelfde woorden is lastig voor hen (denk bijvoorbeeld aan een “doewoord” dat later ineens “werkwoord” gaat heten).
  • Bepaalde spelling onderdelen (denk aan verdubbelingsregel, klinkerdief, verlengingsregel) kunnen meer moeilijkheden opleveren dan bij andere kinderen. Deze kinderen hebben immers een automatiseringsprobleem, waardoor de regels moeilijker beklijven.

Tips bij het vak topografie:

Kinderen met NLD hebben visueel-ruimtelijke problemen. Bij topografie kunnen problemen ontstaan, omdat ruimtelijke ordening en ruimtelijke oriëntatie een grote rol speelt bij dit vak. Door rekening te houden met een aantal punten kun je het kind ondersteunen:

  • Zorg voor eenduidigheid. Leert het kind op de pc, toets dan ook op de pc. Leert het kind vanaf papier, toets dan ook vanaf papier.
  • Gebruik zoveel mogelijk dezelfde kaart. Vaak staat er een kaart in het boek, hangt er een andere kaart voor de klas, krijgen de kinderen weer een andere mee om te leren, enz. Omdat de kleuren op die kaart vaak anders zijn, of het gebied net wat anders is, raakt het kind extra in de war. Gebruik dus liever één kaart.
  • Kinderen vullen vaak zelf de kaarten in tijdens de les, door nummers op de goede plek op hun kaartje in te vullen. Voor kinderen met NLD is dit vrijwel onmogelijk foutloos te doen. Geef ze ter ondersteuning een ingevulde kaart.
  • Het is raadzaam de plaatsen vast rood te kleuren, de rivieren blauw, enz. Geef het te leren gebied een zacht achtergrondkleurtje, zodat het goed afsteekt tegen de achtergrond.

Friesland[2]

Voorbeeld van een voor een kind met NLD ingekleurde kaart.

Belangrijk uitgangspunt bij het leren van topografie moet het deel/geheel-concept zijn: een plaats maakt deel uit van een provincie, iedere provincie is een deel van een land, enz. Kinderen met NLD hebben namelijk moeite met dit deel/geheel-concept.

  • Een kind met NLD kan meestal niet volledig vertrouwen op zijn ruimtelijk geheugen. Je kunt talige ondersteuning bieden door te benoemen wat je ziet. Dit stuk lijkt op een laars, deze plaats ligt aan zee, enz. Door de vormen te benoemen, maak je gebruik van hun sterk associatieve geheugen. Hierdoor kunnen ze de namen beter onthouden.
  • Leer de topografie per cluster: Leer bijvoorbeeld eerst alle plaatsen, dan alle rivieren, dan de landstreken. Bespreek goed de symbolen die ervoor staan. Pas als het kind een cluster goed kent, ga je naar het volgende cluster. Als het kind alle clusters goed kent, ga je de clusters  pas door elkaar vragen.
  • Gebruik ezelsbruggetjes zoals TV-TAS voor Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog.
  • Leer een “kijkstrategie” aan. Laat het kind een vaste volgorde van zoeken gebruiken. Bijvoorbeeld van links naar rechts en van boven naar beneden, zoals bij lezen.
  • Beperk het leren van topografie eventueel tot het hoognodige.

landenlegpuzzel_gedragsproblemenindkelas1

Tips om de leerling te ondersteunen op sociaal vlak:

  • Hiervoor is het belangrijk dat er een vertrouwenspersoon wordt gezocht die hem of haar de sociale regels uitlegt. Dit kan het beste gebeuren a.d.h.v waargebeurde situaties. Dit vraagt van de vertrouwenspersoon een gerichte observatie.
  • Kinderen met NLD krijgen nog al eens ruzie tijdens spelletjes op de speelplaats en worden dan van oneerlijkheid beticht. Een deel van het probleem is dat andere kinderen spelregels weinig expliciet afspreken en ook nogal eens veranderen. Dit is voor een kind met NLD niet te volgen. Je zult dit als leerkracht regelmatig moeten uitleggen.
  • Net als kinderen met autisme, begrijpen kinderen met NLD de taal vaak letterlijk. Ook horen zij niet de nuances.  Als het kind iets omgooit en jij zegt geirriteerd “Dat heb je fraai gedaan.”  dan zal deze boodschap niet goed overkomen.
  • Plagerige humor zullen deze kinderen ook niet begrijpen: “Jij wil zeker geen snoepje.” terwijl je heus wel van plan was er één te geven, zal dus niet leiden tot een lachend kind.
  • Kinderen met NLD kunnen heel breedsprakig zijn. Met heel veel oefenen kun je ze leren meer to the point te vertellen. Vertel korte verhalen en vraag het kind wat hij denkt dat het belangrijkst is. Vraag ook waarom het dit denkt. Oefen dit regelmatig.
  • Deze kinderen hebben vaak weinig vriendjes. Vaak zijn het jongere kinderen. Als het kind niet goed in de groep ligt, kun je als leerkracht misschien een gesprek met de klas hebben over “anders zijn.” Door kinderen te laten nadenken over het feit of anders zijn goed of slecht is, kan er een andere sfeer ontstaan.

Huiswerk:

  • Voor kinderen met NLD is een tas inpakken een hele klus. Huiswerk van en naar school krijgen ook.
  • Het beheren van hun agenda kost erg veel moeite. Daar hebben deze kinderen veel hulp bij nodig.
  • Voor het leren van woordjes enz, is een overhoorprogramma met stem heel handig voor deze kinderen. Bijvoorbeeld WRTS.
  • Bij het maken van een planning hebben deze kinderen meer hulp nodig dan andere kinderen.

De overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs.

Na de basisschool:

Tenslotte: Uit onderzoek in Nederland en België blijkt dat kinderen met NLD in alle onderwijsniveaus hun weg vinden. Je vindt deze kinderen dus in het Praktijkonderwijs, maar ook op de HAVO of het VWO. Later volgen nog vele andere opleidingen. Wel is het zo, dat ze vrijwel allemaal tegen de volgende moeilijkheden aanlopen:

  • De theorie gaat goed, de praktijk gaat moeizamer.
  • Het tempo en de concentratie blijven een struikelblok.
  • De tijdsdruk om taken af te krijgen is hoog: door het trage werktempo is werk vaak niet af.
  • Het organisatorische deel zorgt voor problemen: boeken worden vergeten, verslagen zijn onoverzichtelijk.
  • Het vak wiskunde is vaak een probleem.
  • Stages verlopen aanvankelijk zeer moeilijk, omdat er veel verschillende dingen in één keer worden verwacht. Iemand met NLD “raakt dan de weg kwijt.”

Met bovenstaande tips en ideeën kun je als leerkracht misschien een aantal van de moeilijkheden verminderen of uit de weg ruimen.

Bereik mij
Executieve functies

Aansturende regelfuncties of executieve functies: hoe beïnvloeden ze gedrag en leren? Lees meer.